Licht in de ogen van de belichters
GEVOELSWAARDEN VAN KLEUR
VOLGENS LEONARDO DA VINCI (1452-1519)
GEEL: tijd, zon, maan en sterren, zomer, rijpe oogst, goud, gewin, verstand
BLAUW: oneindigheid, de hemel, ruimte, reizen, geestelijke liefde, meditatie, eeuwigheid ROOD: onrust, oorlog, revolutie, bloed, hartstocht, offer, ego, energie, beweging GROEN: kracht van ontkiemend zaad, lente, jeugd, onervarenheid, macht, vrede en welvaart, hoop, vredige rust, autonomie ZWART: macht van duisternis, dood, rouw, verderf, vernietiging WIT: ongereptheid, volmaaktheid, goddelijke reinheid, onschuld, licht van geest, vrede en leegte ORANJE: gezelligheid, gretigheid, weelde, feest
GEEL/GROEN: verdorvenheid, verloren zuiverheid, valsheid, haat, afgunst, ziekte, afzondering, verraad GROEN/BLAUW: standvastigheid, duurzaamheid VIOLET: waaierigheid, gezag, rouw, tweeslachtigheid, geheim, conflict, labiliteit GRIJS: armoede, ontmoediging, ouderdom, theorie BRUIN: solidariteit, materie, geborgenheid, ondergang, naderend einde, heTfst
Bron:
We legden de belichters die in deze
'De belichting mag niet storend zijn voor het publiek.'
R. GHESOUIÈRE: Het licht mag de aandacht niet afleiden doordat het verblindt (of net niet), of te warm is, en dus primeert boven het stuk en de dramaturgie niet ondersteunt. Het moet verantwoord zijn vanuit de betekenis die je wil overbrengen.
H. COLE: Juist, anders blijft het publiek niet aandachtig. Het mag alleen storen wanneer het stuk erom vraagt. Als je een effect gebruikt, moet het altijd functioneel zijn: het publiek even verblinden om een decorchangement te doen, bijvoorbeeld. Maar het publiek mag niet de hele voorstelling zitten 'priemen', want dan haakt het af. T. WALGRAVE: De belichting mag niets in de weg zitten, noch voor de spelers, noch voor het publiek. Soms kan je er wel voor kiezen om het publiek te storen, als het om een duidelijke keuze gaat. Ik heb wel de gewoonte om met strooilicht in de zaal te zitten. Bij
'Je moet een beetje gek zijn om lichtontwerper te worden.'
R. GHESOUIÈRE: Ja. Tenminste als je niet op veilig speelt. Er wordt geen aandacht aan besteed. Je werkt heel hard en niemand zegt 'waaw'. Je bent helemaal alleen bezig. In recensies wordt er nauwelijks over de belichting of de soundscape gesproken - of de soundscape moet al heel erg op de voorgrond treden. H. COLE: Ik denk het wel. Maar geldt dat niet voor elke discipline binnen het theater? Wat ik leuk vind aan licht ontwerpen is dat je de voor-
stelling mee creëert en stuurt, en dat je job drijft op verbeelding. Het enige wat je er moet voor over hebben zijn de onregelmatige uren. Maar ik zou deze job voor geen andere willen ruilen. T. WALGRAVE: Ik vind dat een pretentieuze uitspraak. Dat er in recensies weinig over ons wordt geschreven, kan me niet schelen. Trouwens, als het licht echt goed zit, wordt het niet opgemerkt. Dan is het organisch, het klopt. Hetzelfde geldt misschien ook voor spelen. J. KALMAN: Dat is een heel romantische visie van de feiten. Ik vind dat allemaal niet zo romantisch. We zijn geen 'poète maudits'. M. VAN DENESSE (lichtontwerper bij
'Schaduwen moeten zo mogelijk vermeden worden.'
R. GHESOUIÈRE: Nee. Het al dan niet aanwezig zijn van schaduwen creëert verschillende leefwerelden.
H. COLE: Als je ze laat zien, moet je dat zo extreem, zo realistisch, zo juist mogelijk doen. Het moet een duidelijke schaduw zijn, niet zomaar wat rommel. Schaduwen vermijden is de moeilijkste opdracht voor een ontwerper. T. WALGRAVE: Nee. Mijn principe is: ofwel te veel, ofwel te weinig. En je moet je altijd bewust zijn van de informatie die je overdraagt. J. KALMAN: Nee. Ik heb steeds minder vooroordelen van die aard. Soms is het fascinerend om schaduwen te laten bewegen. Soms is het interessanter om het licht vanuit een bepaalde kant te richten, zelfs al veroorzaakt het schaduwen, in plaats van schaduwen systematisch te vermijden en een flauwe lichtrichting te hebben. Schaduwen die het oog verstrooien en hinderen, probeer je natuurlijk te vermijden, hoewel dat niet altijd mogelijk is.
J. VERSWEYVELD: Soms wei, soms niet, maar ik vind het helemaal geen issue. Het bepaalt zeker niet of een belichting goed is of niet. J J. LA MERS: Als je geen schaduw mag zien, dan
etcetera 78 Q©t§ 43
maak je toch gewoon een lichtontwerp waarbij je geen schaduw ziet? Ik vind dat geen stelling die je altijd kan verdedigen. Ik kan me voorstellen dat er een stijl van voorstellingen bestaat waarbij je schaduw wilt zien, en andere waar het absoluut niet mag. Van een goede driepuntbelichting, waarbij je geen schaduw ziet, kan ik echt genieten. Maar het is geen must. Natuurlijk is het wel verschrikkelijk als je van die storende schaduwen hebt die het gevolg zijn van onkunde, maar dat is iets helemaal anders.
'Een dramatische scène moet plaatshebben in half gedempt licht; een feest krijgt sowieso veel kleuren en licht.'
r. ghesouière: Nee. Het is best mogelijk dat een dramatische scène in werklicht veel krachtiger wordt. Het is niet zo'n absoluut métier. In
t. walgrave: Zeker wel, ofwel het tegenovergestelde.
j. kalman : Een komische scène werkt over het algemeen niet in gedempt licht. Die heeft straf, open licht nodig. Er zijn zulke wetten. Men kan een komische scène kapotmaken met te veel subtiliteiten in de belichting. Dat zie je vaak. Het is immers minder flatterend voor de belichter om alles vol uit te lichten, dan om een complex soort halfduister te maken. Om zichzelf plezier te doen, maakt de belichter de scène soms kapot.
Wat is de rol van intuïtie?
r. ghesouière: Door het zoeken naar, het 'wrochten' aan elk lichtontwerp, bouw je, met de ervaring, bepaalde instincten op. Bij een zware monoloog, bijvoorbeeld, kan je de lippen best goed zichtbaar maken, anders wordt het heel vermoeiend. Dat is een veiligheidsinstinct. Dat kan pas doorbroken worden door het bijvoorbeeld volledig zwart te maken, als de regisseur ermee akkoord zou gaan. j. kalman: Intuïtie is alles. De intuïtie van de verveling bijvoorbeeld: het is heel belangrijk te voelen wanneer je je verveelt bij het bekijken van een scène.
Mag je een verandering aankondigen op de scène?
r. ghesouière: Ook hier zijn er geen regels. Soms is het aangewezen iets te 'telefoneren',
soms niet. Je kan het publiek ermee op het verkeerde been zetten, wat soms goed is. Het enige criterium is: waar wordt het stuk beter van? h. cole: Dat hangt af van productie tot productie. Het juiste moment kiezen voor een overgang is één van de moeilijkste onderdelen van het ontwerp: hoe en wanneer moet de overgang gebeuren, en hoe lang mag hij duren? Dat is makkelijker te bepalen als je veel repetities meemaakt.
t. walgrave: Als je het doet, moet je ofwel te vroeg, ofwel te laat komen. Die decalage maakt tautologie - een illustratief gebruik van licht -weer mogelijk. Stel: je hebt een liefdesscène, gevolgd door een slagveldscène. Je kan het romantische licht laten doorlopen tot een stuk in de slagveldscène. Of omgekeerd, het slagveld-licht al laten beginnen in de romantische scène. In beide gevallen kan je je veroorloven om echt liefdeslicht en echt slagveldlicht te gebruiken. j. kalman: Ja natuurlijk. Als tromgeroffel. Het kan de actie dynamiek geven, helpen bij een verandering of bij de entree van een acteur. Anticiperen is een element van het vocabularium waar men gebruik van moet maken. Niet systematisch natuurlijk. Niets systematisch. j. versweyveld: Dat kan, maar je hebt het niet altijd helemaal in de hand. Je kan meestal wel het licht manueel bepalen tijdens de voorstelling, maar dat wil ik eigenlijk niet altijd. Ik vind het helemaal niet erg dat het licht niet elke avond helemaal samenvalt met het spel, want dan loop je te veel het gevaar dat het ondersteunend werk. Dat heeft ook als gevolg dat het licht bij de ene voorstelling heel mooi samenvalt met een bepaalde repliek of scène, maar de volgende avond niet meer, want het ritme van het spel is nooit identiek. De logica van het licht is bij elke voorstelling totaal anders. Je vertrekt immers van een ontwerp, niet van een 'systeem'. Er zijn lichtontwerpers die de standen geschreven hebben nog voor ze echt weten waar het over gaat. Dat is geen ontwerp, maar een systeem. Daarom vind ik het ook moeilijk om zulke stellingen te verdedigen. Ik begin bij elk lichtontwerp van nul af aan.
Waarom ben je al dan niet aan een vast gezelschap verbonden?
r. ghesouière: Momenteel ben ik technisch coördinator bij
vriendschap. Met een collectief werken is iets moeilijker. Als je niet het volle vertrouwen krijgt, moet je naar compromissen gaan zoeken. Het is als lichtontwerper niet evident om uit te leggen wat je wil. De regisseur of de groep heeft vaak al een idee. Als je dan met iets anders aankomt, moet je het goed kunnen uitleggen. Maar je bent niet eloquent genoeg als je passioneel met iets bezig bent. Dat gebeurt intuïtief. Ik vraag dan om mij iets te laten proberen en hoop dat het goed bevonden wordt.
t. walgrave: Ik werk nu tien jaar vast bij tg
Hoe lang zou je nog als lichtontwerper willen blijven werken?
r. ghesouière: Er komt altijd één week voor de première een soort vermoeidheid over mij. En dan denk ik: ik hou ermee op en keer terug naar de muziek, ik heb bereikt wat ik wilde bereiken: een paar projecten die me nog steeds ontroeren als ik eraan terugdenk. Maar dan is er telkens weer de hoop om opnieuw ontroerd te worden door wat je met licht kan teweeg brengen. Je krijgt echter zelden carte blanche om te experimenteren en tot het uiterste te gaan. Je moet altijd met compromissen werken. Je wordt daar niet echt ongelukkig van, maar ook niet maximaal euforisch. i. walgrave: Tot ik het beu ben. Maar ik doe het echt heel graag. En lichtontwerpen is niet het
44
• •• etcetera 78
enige wat ik doe bij
Mag je de spots zien hangen?
h . cole: Dat is vaak geen punt. Als je in je ontwerp rekening houdt met de spots, is het oké dat je ze ziet hangen. Maar je moet het dan wel strak houden, geen wirwar van spots. Ook dat hangt af van productie tot productie. In theatervoorstellingen is het nog wel de gewoonte om de spots weg te stoppen achter friezen of coulissen om zo een clean beeld te hebben, vrij van eventueel storende elementen. Anderzijds kan het ook dat de scenograaf de spots wil integreren in het scènebeeld.
J.J. LAMERS: Dat maakt me helemaal niet uit.
Ca je vaak kijken naar het werk van andere ontwerpers?
h. cole: Als zelfstandige kan je naar weinig voorstellingen gaan kijken. Dat mis ik wel. Ik ben nog vaak op tournee om voorstellingen te draaien, want van ontwerpen alleen kan je in
l. perceval: Als ik naar het toneel ga, vind ik het licht zelden goed. Ik vind het vaak niet genoeg doordacht of niet verfijnd genoeg. Ik zie heel vaak voorstellingen in
Publicatie Etcetera, 2001-10, jaargang 19, nummer 78, p. 43
Trefwoorden ghesouière • licht • kalman • walgrave • cole • schaduwen • spots
Namen Amsterdam • België • Diderot en Les Antigones • Duitsland • Etcetera • HQI-lampen • Handboek Theaterbelichting • Hugo van Uum • Internationa • Lucia Smelt • Monty • Perceval • Peter Greenaway • Public Enemy • Stan • Straf van Jos van Kan • Theatre
Development and design by LETTERWERK