Date 2007-01-09

Publication De Morgen

Performance(s)

Artist(s)

Company / Organization

Keywords

Hoe overleef je de danskalender?

Brussel, en bij uitbreiding België, heet het dansmekka van Europa, zelfs van de wereld te zijn. De kalender van januari spreekt boekdelen: vijftien nieuwe voorstellingen vallen er deze maand te rapen.

Dat klopt aardig met het onderzoek dat het Vlaams Theater Instituut (VTI) vorig jaar deed naar de dansproductie in de periode 2001-2005. Het VTI telde circa 160 nieuwe producties per jaar. De vraag is wie dat kan behappen. Achter dit verbluffende cijfer schuilt immers een minder rooskleurige werkelijkheid: veel nieuw danswerk is slechts enkele keren te zien. Het moet zijn publiek dus veroveren in extreem korte speelreeksen. Vaak verovert het dan ook helemaal geen publiek, en wordt het roemloos afgevoerd.

Dat dansvoorstellingen een kort leven beschoren zijn heeft dus vooral te maken met de gebrekkige zichbaarheid en minder met de kwaliteit ervan. Hoe dat komt is niet moeilijk te raden. Op de grote gezelschappen na moeten de meeste danskunstenaars het rooien met tijdelijke structuren en hier en daar bijeengesprokkeld geld. De laatste subsidieronde voor de podiumkunsten bracht geen soelaas. Al bulkt België van internationaal talent, de minister hield de knip zeer stevig op de dansbeurs. Nieuwelingen kwamen er niet in. Daardoor gebeurt de promotie voor dans vaak knullig. Het publiek krijgt een lawine van informatie over zich heen, maar een plan of een idee zit daar niet achter. Hoe uit dat aanbod een keuze te maken, Joost mag het weten. En dus blijft Joost thuis.

Dat hedendaagse dans een vlag is die veel verschillende ladingen dekt en een andere manier van kijken vergt dan theater maakt de zaken er niet eenvoudiger op. Als flyers zich dan nog uitputten in de meest cryptische beschrijvingen van wat er te zien zal zijn, geeft nagenoeg iedereen het op. Een beetje begrijpelijke, en als het even kan enthousiasmerende duiding zou al wonderen doen. Agendaplanning ook. Nu maak je het vaak mee dat op één en dezelfde dag drie nieuwe stukken in première gaan, die elk maar drie keer spelen. Hopeloos.

Hoe curieus het ook kan klinken: dans in België behoeft op dit ogenblik een drastische inhaaloperatie. Bijvoorbeeld onder de vorm van een platform dat jonge choreografen de nodige zichtbaarheid en ondersteunig verleent. Het voorbeeld van de grote stadstheaters is hier instructief. Ze fungeren voor jonge theatermakers steeds vaker als springplank en steunpunt. Zo'n platform is er niet voor de danswereld. Toch is net dáár de nood aan ondersteuning en duiding broodnodig. De 'grote' dansgezelschappen kunnen deze rol nauwelijks opnemen. Ze hebben het zelf niet breed, ondanks de schijn van het tegendeel. Blijven over: de danswerkplaatsen. Maar die zijn weer net niet armlastig. Ze hebben trouwens hun handen vol met beginnende danskunstenaars. Aan het organiseren van de doorstroming komen ze nauwelijk toe.

Er is dus werk aan de winkel, als met het 'wonder' van de Belgische dans in stand wil houden.