Date 2003-10-15

Publication De Tijd

Performance(s) Pourqoui quand je te regarde je ne me vois pas

Artist(s) Ducourt, Jean-Luc

Company / Organization

Keywords idealehoftheaterfranciskavoispourquoiregardequandspiegelpaleislambrechtstheater

Pygmalion in het spiegelpaleis: DANS, Jean-Luc Ducourt - THEATER, tg Monk

Pygmalion in het spiegelpaleis

DANS, Jean-Luc Ducourt - THEATER, tg Monk

Een ruime week geleden zou de dansproductie 'Fataal Aamouour' van de Franse choreograaf Jean-Luc Ducourt in première gegaan zijn. Op het allerlaatste moment werd de premièredatum echter verplaatst naar 21 oktober. Plots blijkt het stuk ook een andere titel te dragen: 'Pourquoi quand je te regarde je ne me vois pas'. Wat is hier gebeurd? Pieter T'JONCK

Vanaf 1978 was Jean-Luc Ducourt danser bij vele gezelschappen in Frankrijk. 'De dans kwam toen tot volle bloei', mijmert hij. 'Al wat nu gebeurt is toen ontstaan.' In 1987 kwam Ducourt naar België, als eerste mannelijke danser bij Rosas, het gezelschap van Anne-Teresa de Keersmaeker, in de voorstelling 'Mikrokosmos'. Ducourt had later ook een belangrijke inbreng in stukken als het onderschatte 'Erts' en 'Mozart'. Aan de samenwerking met De Keersmaeker kwam echter abrupt een einde. Enkele jaren lang liet Ducourt nauwelijks nog van zich horen, op enkele losse projecten na zoals een voorstelling rond Marguerite Duras met Viviane de Muynck en een solovoorstelling. Hij verleende ook af en toe zijn medewerking aan projecten van anderen als Franciska Lambrechts en Mia Lawrence. Toevallig kwam hij in gesprek met Denis van Laeken van kunstencentrum Monty. Dat leidde tot een subsidieaanvraag voor een nieuw project waarvan Monty hoofdproducer is.

Ducourt kon voor dit werk enkele andere kunstenaars, en niet de minste, warm maken voor een samenwerking. Zelf omschrijft hij zijn rol als choreograaf, terwijl de Nederlander Jan Ritsema regisseur is. Voor het beeldend deel van de voorstelling tekenen de beeldend kunstenaars Honoré d'O en Franciska Lambrechts. Tamara Debaty, een jonge ballerina, neemt de dans zelf waar. Ducourt is met zijn lange gestalte een opmerkelijk man. Snel, met radde tong vuurt hij de ene gedachte na de andere af, maar tegen het einde van elk gedachte-experiment sluipt er een aarzeling in zijn woorden. Als hij plots in een lach uitbarst, lijkt het wel alsof hij de eerste is om zich te realiseren dat zijn intellectueel doorwrochte besluit op de een of andere wijze toch naast de kwestie zit. Gaandeweg blijkt in het gesprek ook dat Ducourt misschien wel iets onmogelijks nastreeft. En toch blijft hij proberen om voor zichzelf duidelijkheid te scheppen in de chaos van het scheppingsproces. Driftig tekent hij het ene schema na het andere in een schrift dat al barstensvol staat met aantekeningen.

Waar gaat het over in deze voorstelling? Waarom is de titel onverwacht gewijzigd?

Jean-Luc Ducourt: 'Ik wou de specifieke cultuur van het barokke hoftheater onderzoeken aan de hand van de bewerking die Rameau maakte van het 'Pygmalion'-verhaal. 'Pygmalion' op zich opent natuurlijk al een hele reeks vragen over wat het betekent een kunstenaar te zijn. Waarvoor staat creativiteit als principe en als actie? In dit verhaal geeft de kunstenaar vorm aan zijn verlangen in een beeld dat tot leven komt. Maar is dat wel mogelijk? En als je dat toch wil proberen, gaat het dan om een verlangen dat je verwerkelijkt, of is het alleen maar een uiting van frustratie over de onvervulbaarheid van dat verlangen? Simpel gesteld: had de kunstenaar zijn ideale vrouw gevonden, zou hij dan nog de nood gevoeld hebben om haar ook af te beelden? In een choreografie is de zoektocht naar de ideale danseres en de ideale, bijvoorbeeld klassieke vorm van de dans van dezelfde orde als de schepping van de ideale vrouw in Pygmalion. Ook daar zit je trouwens met de vraag hoe je de perfecte, maar lege vormen van het ballet leven kan inblazen. Dat kan je ogenblikkelijk verbinden met een tweede kwestie: hoe ervaart het publiek dat kunstwerk dan? Wordt dat niet een tweede keer geboren, of beter gezegd, pas werkelijk geboren in het oog van de toeschouwer? En hoe weet je dan of die toeschouwer ziet wat de kunstenaar heeft willen tonen? Ook die vorm van overdracht is moeilijk te doorgronden.'

Wat is hierbij de relevantie van het barokke theater?

Ducourt: 'Die vorm van theater heeft een totaal verschillende structuur van het hedendaagse theater. Je weet dat het eerder als een ceremonie opgebouwd werd. Wat in de zaal gebeurde, wie waar zat en wie elkaar kon zien was van het hoogste belang als uitdrukking van het hofleven. Het publiek nam dus bijzonder actief deel aan het tot stand komen van een voorstelling. Het was helemaal niet de anonieme massa in het donker waar we nu aan denken als we het over het publiek hebben; iedere aanwezige was met naam en toenaam en met al zijn verdiensten en hebbelijkheden bekend. Niet verwonderlijk dat de koning dus centraal zat en zowel de toeschouwers als de spelers perfect kon doorschouwen. Je kon van dat theater met recht zeggen dat het podium de weerspiegeling was van wat in de zaal gebeurde en omgekeerd. Dat ligt helemaal anders bij het hedendaagse theater. Vandaag wordt het podiumgebeuren als een beeld naar de zaal geprojecteerd. Ik ben mij tijdens het werkproces beginnen af te vragen of de hedendaagse mediatisering van het artistieke milieu niet kan gelden als een soort herhaling van het ceremoniële karakter van het hofgebeuren. Maar uiteindelijk is van al deze bedenkingen nauwelijks iets overgebleven. Behalve dan één ding: het publiek bevindt zich in deze voorstelling in het midden van de actie. Door middel van een groot videoscherm kun je als kijker op elk moment ook het geheel van het gebeuren als het ware van buiten af zien. Iedereen heeft een koninklijk overzicht maar is tegelijk ondergedompeld in de actie.'

Hoe is de voorstelling verder geëvolueerd? Wat is de inbreng van de andere artiesten?

Ducourt: 'Het eigenaardige en meteen onmogelijke van dit stuk is vooral dat ik elk onderwerp, elke finaliteit uit het stuk geschrapt heb. 'Chacun est un sujet, il n'y a pas d'objet au départ' (een onvertaalbaar woordspelletje van Ducourt, PTJ). Wat overblijft is een potentieel, een netwerk van mogelijke relaties waarvan ik de beginpunten uitgezet heb. Ik heb met elk van de deelnemers een zekere relatie uitgebouwd, maar ik wilde niet bepalen hoe zij zich verder onderling zouden verhouden. Ik kan de voorstelling daarom enkel omschrijven als een collectieve monoloog, uitgelokt door de specifieke theatrale situatie. Mijn eigen plaats daarin is weliswaar heel centraal, maar toch is het geen positieve, sturende aanwezigheid, zoals de koning in het hoftheater. Ik ben er aanwezig als 'gat', als 'afwezigheid'. Misschien is dat pure zelfmoord. Ik weet het niet. De keuze gaat terug op mijn vraag wat iemand ziet als hij kijkt naar iemand anders. Wellicht enkel een spiegeling van wat hij zelf is. Als je over iemand anders praat of iemand anders aanschouwt, praat je uiteindelijk altijd over jezelf, zie je altijd enkel en alleen jezelf. Iedereen weerspiegelt zich in iedereen. We hebben hier onderling al eindeloos over gediscussieerd. We blijven ook zitten met de prangende vraag wat we gaan tonen en hoe. Het wordt wellicht iets wat kantelt tussen een improvisatie en iets anders, iets wat gestuurd wordt door de gedachten die we ontwikkeld hebben tijdens het werkproces. Maar het is natuurlijk wachten op de Messias. Ach, daar gaat mijn promotie-praatje_'.

'Pourquoi quand je te regarde je ne me vois pas'

staat in de Monty, Montignystraat 3 in Antwerpen van 21 tot 23 oktober, telkens om 20.30u. Inlichtingen en reservatie: 03/238.91.81 of info@monty.be.