Archief Etcetera


Gesprek in Wallonië



Gesprek in Wallonië

Conversation en Wallonie - creatie 1978 - Ensemble Théâtral Mobile - repetitiefoto - Foto's J.-P. Hubin

Personages

Grégoire, vader van Jonathan

Jonathan, zoon van Grégoire en Alice

Ulysse, schoonbroer van Alice

Eugène, zoon van Ulysse

De hoedenmaker

Joseph, een visser

De grootvader, vader van Grégoire

De leraar

De graaf

Alice, moeder van Jonathan

Lydie, buurvrouw en vriendin van Alice

De notarisvrouw

De buurvrouw

De moeder van een leerling

Suzanne

De hoedenmaakster Solange

De schoonmaakster

(Vertaling: Pierre Bourgeois)

EERSTE TAFEREEL

Gesloten doek. Stem van een beroemde tenor. Zingt een aria uit een populaire opera. Bijvoorbeeld Benjamino Gigli met een aria van Verdi. Einde van de aria. Hevig applaus. Jonathan zegt hoorbaar: - Bravo... Bis... Bravo. - Buitengewoon. - Van zo ver komen. - Wat een succes! Bis! Het doek gaat open. De scène wordt belicht in het centrum: een arbeiderskeuken. Enkele deuren. Een Leuvense kachel. Omstreeks 1946. Een tafel, een kast, enkele pronkstukken. Een radio. In het midden van de keuken zit Jonathan, ongeveer twaalf jaar oud. Golfbroek, hemd. Hij staat op van zijn stoel, groet meerdere keren, gaat terug zitten, handen op de knieën. Hij herneemt de aria van daarnet. De scène wordt helemaal verlicht. Côté jardin, een tweetal gevels van arbeidershuisjes. Côté cour ontwaart men een kasteel, een terras. Côté jardin, twee vrouwen. De eerste, ongeveer dertig jaar, luistert bij het raam; de andere, iets ouder, Lydie, luistert eveneens. Côté jardin: een koppel komt binnen en stopt ter hoogte van de twee vrouwen: de hoedenmaker en de hoedenmaakster. Côté cour bij het terras: de graaf en de notarisvrouw. Einde van de aria.

Hoedenmaakster Wat een prachtige stem! Hoedenmaker (Tot de buurvrouw) Ik zeg het nog maar eens... Een stem zo warm als deze laatste augustusdag. Hij heeft talent, die knaap. Hoedenmaakster Elke avond komen wij naar hem luisteren.

Buurvrouw (Tot Lydie) Dat klopt: ik heb ze al eerder gezien.

Hoedenmaakster Na het avondeten, als de winkel gesloten is, komen wij hiernaar toe gewandeld.

Hoedenmaker Wij verkopen hoeden in de Stationsstraat.

Hoedenmaakster Het is geen toevallige wandeling. Elke avond, zonder uitzondering, 's zomers als 's winters, komen wij hier langs om naar hem te luisteren. Hij is altijd op de afspraak.

Lydie Inderdaad. Hij zingt elke avond. Daar had ik nog niet aan gedacht. Hoedenmaakster Je zou zeggen dat hij zich verstopt. Ik zou hem toch zo graag zien als hij zingt.

Buurvrouw Hij laat zich nooit zien. Lydie Ik heb al zijn schaduw gezien achter de gordijnen. Soms maakt hij gebaren. Hoedenmaakster Wat een zanger zou hij kunnen worden. Ah, ik zie hem al met zijn voorhoofd vol zwarte krulletjes. Hij moet bruin zijn, niet? En héél mooi, daar ben ik zeker van, met zo'n stem. Sommige mensen hebben toch geluk: zo'n kind hebben! Hoedenmaker Wat doen zijn ouders? Buurvrouw Zijn vader werkt in de mijn, 's nachts. Een half uur geleden is hij vertrokken. Lydie De moeder poetst 's avonds kantoren. Ze komt rond negen uur terug. Hoedenmaakster Parelwitte tanden, in een exotisch decor...

Hoedenmaker ... ja, een Mexicaans decor, zoals

in de laatste operette. Mijn vrouw en ik houden

ontzettend veel van operettes. Nu de oorlog

voorbij is hebben we opnieuw grote zangers.

Lydie Rudi Hirigoyen.

Buurvrouw En Luis Mariano.

Hoedenmaker Rijzende sterren. Stil! Laten we

luisteren. (Jonathan zingt.)

Buurvrouw Een muzikant in hart en nieren.

Hoedenmaker Het zou zonde zijn zo'n hemels

geschenk te verspillen.

Hoedenmaakster Prachtig. De poëzie krijgt er vleugels bij en je laat je meevoeren door de droom. Je weet niet meer goed waar je bent, in de hemel of op de aarde. (Zij luisteren ingetogen.)



Graaf Mooie stem nietwaar? Notarisvrouw Een beetje grof naar mijn smaak. Graaf Geen paniek. Deze grove stem wil geneesheer worden.

Notarisvrouw Geneesheer? Voor mensen of voor dieren?

Graaf Laten we het verschil delen: legerarts. Noch voor dieren, noch voor mensen. Notarisvrouw Dat kan niet. Leraar misschien. Onze alma mater gooit haar deuren niet open voor om het even wie.

Graaf Wie weet? Legergeneeskunde is gratis... voor goede elementen tenminste. Dit is er een. Hoedenmaakster Zijn ogen hebben meer glans. De purperen gloed van zijn lippen wordt almaar heviger, alsook het lichte roze van zijn gelaat. Hoedenmaker Komaan, liefste, je praat als een bakvis.

Hoedenmaakster Ik krijg koude rillingen van ontroering over mijn hele lijf. Uit zijn mond klinkt een lied zo donker als deze nacht. Zijn stem brengt ons bij mekaar. Lydie Het is mijn buurman. Hij heet Jonathan. Op zekere dag was hij bij mij thuis. Hij had slechts een velletje papier en een potlood. Hij heeft eikeblaren getekend en eikels. Je zou gezworen hebben dat ze echt waren. Ik heb aan mijn man gezegd: "Dat kind daar zal nooit met zijn handen werken". Notarisvrouw Wat een poespas, mijn God! Graaf Niet wreed zijn, beste notarisvrouw. (Bliksem. Donder. Onweer in de arbeiderskeuken op de scène. Regen. Geraas van een koets in de verte. Stem van de koetsier. Geblaf.) Jonathan zingt op de tonen van "De boom".

Jonathan (gezongen) Wat is er mooier / En ontroerender / Dan een boom ruisend / In de wind

Jonathan (gesproken) Bewusteloos / In het beekje / De man van het verloren land / Ontwaakt door het geraas / Van de koets / Het is de kasteelvrouw / Die terugkomt van een reis. / Zij komt dichter bij het traliehek, / Ontwaart de verdwaalde.

Stem van de notarisvrouw Trager, John, ik zie iemand in de slotgrachten. Vreselijk! Jonathan (gezongen) Kijk niet naar mij, / Ik ben het niet waard.

Stem van de notarisvrouw Waar kom jij

vandaan? Ik ken je niet.

Jonathan (gezongen) Wat is er mooier / En

ontroerender / Dan een boom ruisend / In de

wind

Jonathan Ik ben verdwaald. Ik ken mijn land niet meer.

Stem van de notarisvrouw Ik wist dat je er was. Dat ik je op een dag zou zien. Jonathan Loop door.

Stem van de notarisvrouw Kom. Mijn kasteel is groot genoeg voor jou. Hoedenmaakster Ik zie hem al plaats nemen: het doek is gevallen, hij zit midden in de kring van kakelende bewonderaarsters, op een schattige Louis XVI-sofa, in een sierlijke houding. Hij luistert verstrooid naar de gesprekken rondom hem, neemt er slechts kort aan deel, afwezig. Notarisvrouw Waar is zijn vader? Graaf Onder onze voeten, in de mijn. Bij dageraad staat hij weer oog in oog met de zon. Ik ken hem. Het is een fiere en integere man. Een aristocraat. Er is meer dan één overeenkomst tussen het volk en ons. (Donder. Regen. Bliksem.)

Jonathan Het onweer wordt heviger. Je leven is bedreigd.

Stem van de notarisvrouw Kom uit mijn grachten. Mijn honden worden onrustig. John zal voor jou een haardvuur aanmaken. Hoe heet jij?

Jonathan Ga over de ophaalbrug. Vlucht. Stem van de notarisvrouw Met jou erbij zal het kasteel minder kil zijn. Kom.

Jonathan (zingend) "Kom in mijn klein paviljoentje."

Hoedenmaakster De edelstenen die zijn vingers sieren, schitteren in het licht. Hoedenmaker Een heel elegante omgeving. Hoedenmaakster Hij blijft de rustige, harmonieuze Jonathan, heel voornaam, heel natuurlijk.

Buurvrouw En eenvoudig. (De donder sterft weg samen met het geluid van de koets.) Graaf Ik heb altijd getwijfeld tussen twee roepingen: benedictijn of cowboy. Notarisvrouw Uw roepingsprobleem is overgegaan op Jonathan. Geneesheer, waarom niet? Chirurg zelfs, plastische chirurgie, veronderstel ik. Al bij al heeft men het recht niet opgetogen te zijn over zijn gezicht. Het scalpel, de witte kiel. Ieder zijn Far West. Het wit trekt ze aan. U bent nogal militant tegenwoordig, beste vriend. U bent zijn geluk. Alles wel beschouwd: beter het scalpel dan het zwaard. Graaf Ik ben peter geweest bij zijn vormsel, vorig jaar. Na de maaltijd, aangeboden op het kasteel, hebben wij de kleine vormelingen een kruisbessentaart aangeboden. Jonathan heeft ervan gegeten. Uit dank heeft hij dan met zijn vrienden capriolen uitgevoerd op het Perzisch tapijt.

Notarisvrouw Volkskinderen doen graag lachen. Dat moet grappig geweest zijn, neem ik aan. (Zij lachen.)

Graaf Wij hebben hun een tweede

kruisbessentaart gegeven.

Notarisvrouw Heeft hij gesproken?

Graaf Ja, enkele woordjes.

Notarisvrouw Verstaanbaar?

Graaf Nogal van eigen bodem. Het was niet

echt hinderlijk. Mijn vrouw en ik vertaalden

effenaan. Sedertdien komt Jonathan mij vaak

opzoeken. Ik heb hem toegang verleend tot mijn

bibliotheek.

Notarisvrouw Hij mag bij uw boeken komen!

Hij leest dus?

Graaf Ik wijs hem de weg.

Notarisvrouw Wees op uw hoede. (Jonathan

komt binnen vanuit de keuken: halsdoekje,

donkere bril, sigaret.)

Jonathan De stakker. Hij weet niet eens dat hij

te maken heeft met een geheimagent. Dat is pas

wat men noemt zich van iemand ontdoen

volgens de regels van de kunst. (Een groep

jongens komt binnen langs de côté jardin

evenals een meisje, Solange.)

Jongen 1 Jonathan! Jonathan!

Jongen 2 Kom toch spelen!

Jongen 1 Kom, we gaan naar de beek. Ze

hebben de grote bocht uitgebaggerd. We kunnen

zwemmen. (Zij kloppen op de deur.)

Jonathan Ik mag niet buitenkomen. (Een poos.)

Jongen 1 Wat doet hij? (Hij kijkt door het

sleutelgat.)

Jongen 2 Is zijn vader daar? Jongen 1 Neen.

Jonathan Binnenkort moeten we opnieuw naar school. Ik moet mijn spullen klaarmaken en vroeg gaan slapen.

Jongen 1 Daar is toch geen haast bij.

Jonathan Ik ga naar de school in de stad.

Jongen 2 Hij studeert altijd.

Jongen 1 Hij is altijd opgesloten. Wat een

leven! (De twee jongens gaan weg. Solange komt

naderbij.)

Solange Jonathan, ik ben het, Solange. Jonathan Ik mag niet meer met je spelen. Solange Je vader is gaan werken. Ik heb hem gezien.

Jonathan Mijn moeder kan eik ogenblik thuiskomen.

Solange Niet onmiddellijk.

Jonathan De buren zullen alles uitbrengen.

Solange Kom naar het oude kanaal. Een

vrachtwagen heeft van alles uitgestort.

Jonathan Ik mag niet.

Solange We zullen stukken koper en lood

kunnen oprapen. Er zijn vodden, ik heb het gezien. Neem je oude tas en je ijzeren staaf om te krabben. Ik zal je helpen. En je zal er veel voor krijgen wanneer de voddenman langskomt. Jonathan Neen.

Solange Ik ken een plaatsje waar Amerikaans afval ligt. Er liggen zelfs pakjes ballonnetjes om geen kinderen te maken. (Jonathan antwoordt niet meer. Solange gaat weg. Een poos.) Jonathan Hij laat geen ogenblik voorbijgaan om een mooi meisje aan zijn palmares toe te voegen. Komaan, geen tijd verliezen. Het volk mort. Gerechtigheid moet geschieden. (Geluiden van de massa. Kreten, geweerschoten. "Leve Jonathan!" Jonathan ontdoet zich van zijn malle kleren. Hij pookt de kachel aan, zet de tafel. Er komt rook uit de kachel, en rode vlammen.)

Notarisvrouw Wat doet alles toch echt aan bij hen thuis.

Stem van de notarisvrouw Waar sleur je mij naartoe, Jonathan? Laat mij met rust. Iemand zou ons kunnen tegenkomen in de gangen van het kasteel. (De keukendeur gaat met een ruk open. De grootvader komt binnen; hij haalt een geweer vanonder zijn regenjas.) Jonathan (schreeuwend) Niet schieten, grootvader! Niet schieten! Grootvader Zie je ze? Daar zijn ze. Jonathan Waar?

Grootvader In de boom. Ze zijn teruggekomen. (Jonathan neemt met zachte dwang het geweer uit zijn handen.)

Jonathan Het is voorbij. Ga zitten. Het is voorbij. Ze zijn vertrokken. Grootvader Zeker van? Jonathan Ja. (De grootvader doet zijn regenjas uit, begint langzaam rond de tafel te lopen.) Jonathan Werken, grootvader. Deze avond komen ze niet. Het is jouw fabriek, ze zullen haar niet afpakken. Het is de jouwe, je hebt het wel verdiend.

Grootvader Help mij. (Jonathan volgt zijn grootvader rond de tafel.) Grootvader Op jouw leeftijd was ik reeds hulpje in de glasblazerij. Ik bracht de stutten naar de werkman voor het glas. Jonathan Ja. Hier, zie, ik geef ze je. (Zij draaien rond de tafel, terwijl de moeder binnenkomt. Zij doet haar hoed en mantel uit, waakt over het vuur. Jonathan laat zijn grootvader alleen, dekt de tafel voor het avondeten van zijn moeder. De grootvader gaat zitten.)

Alice Ik heb de kleine Solange weer zien rondhangen in de buurt. Als je vader dat te weten komt... En bovendien, ze spreken slecht, de kinderen van die familie. Ze gebruiken vieze woorden. Niet omdat ze arm zijn. In het leven zijn er ten slotte altijd armen en rijken. Je gaat beter naar het kasteel, om wat kennis op te doen, bij de graaf. Daar haal je geen kattekwaad uit. Profiteer ervan, je hebt geluk. Heb je je schoolgerei al klaargemaakt? (Jonathan gaat zijn gloednieuwe boekentas halen en zet die in het midden van de tafel. Alice eet.)

DOEK

TWEEDE TAFEREEL

Grégoire gaat naar de keukendeur, stopt twee

vingers in zijn mond. Fluit.

Alice Doe geen moeite. Jonathan is naar de mis.

Het is zondag vandaag.

Grégoire (Misnoegd) Ah... (Hij komt terug

binnen, rommelt wat in een lade.)

Alice Wat heb je nodig?

Grégoire Niets. (Een poos.)

Grégoire Zijn er geen lucifers meer?

Alice Jawel.

Grégoire En de zwarte schoensmeer?



Alice Op zijn plaats. Gisteren was het zaterdag. Inkopendag.

Grégoire Zijn we niets vergeten?

Alice (Twijfelend) Neen...

Grégoire Iemand zou naar de kruidenier moeten

gaan nu hij nog open is, om zomaar iets te

kopen. Nou ja, een snuisterij. (Hij roept haar bij

zich. Vertrouwelijk.)

Grégoire De zoon van de melkboer... Hoeveel

procent heeft hij behaald? En welke plaats?

Alice Ik kom onmiddellijk terug. (Zij gaat

buiten. Grégoire werpt een blik op de krant,

springt op, loopt naar de radio, zet die aan,

luistert naar het radiofeuilleton.)

Radio "De boer wierp opnieuw een blik op

Jean Valjean, zette drie stappen achteruit en

haalde zijn geweer van de muur. - Ga

weg! - Alstublieft, smeekte Jean Valjean, een

glas water. - Een kogel! zei de boer. Dan gooide

hij de deur met een smak dicht en de man

hoorde hem twee dikke grendels dichtschuiven.

De nacht werd almaar donkerder. De Alpenwind

blies in alle hevigheid."

Alice (Komt terug binnen.) Ziezo.

Grégoire (Legt haar met een gebaar het zwijgen

op, zet de radio wat stiller.) Een minuutje. (Hij

gaat de deur sluiten, dan het venster.)

Grégoire De buren hebben daar geen zaken

mee.

Alice (Halfstil.) De zoon van de melkboer is vijfde geëindigd op 15. Met 72 %. Grégoire Zeker van?

Alice De kruidenierster heeft het mij voor waar verteld.

Grégoire Het is waar. Zij is van alles op de hoogte. (Grégoire gaat aan tafel zitten; de moeder ook.)

Grégoire Vijfde... 72 %... Jonathan is dan toch tweede geëindigd. Met 83 %. Ik heb vernomen dat de melkboer zijn zoon naar het atheneum zou sturen. In de Grieks-Latijnse. (Een poos.) Jonathan gaat daar ook naartoe. (Een poos.) Grégoire Om welke reden zou Jonathan het niet ver brengen? Hij zal zich niet moeten afbeulen zoals wij. Dat wil ik niet! (Slaat met zijn vuist op tafel.) Daar heb ik alles voor over. Hij moet ten minste het lager middelbaar uitdoen. Zes jaar zelfs, als het moet. Om een vaste job te krijgen. Bij de staat. Bediende op een ministerie. Rijkswachter. Ze gaan vroeg met pensioen, de rijkswachters. (Begint te hoesten.) Alice Ja. Maar ga niet meer naar de mijn, Grégoire. Keer terug naar de glasblazerij. Grégoire Het is er het ogenblik niet voor. Dat kost geld hoor, studeren. Alice Ik zal mijn duit in het zakje doen. Ik kan 's morgens enkele uren werken. De dokter heeft een werkvrouw nodig.

Grégoire Je klopt uren genoeg. Zeg niets aan de kleine, in verband met zijn studies. Ik heb bedenktijd nodig. (Hij gaat bij de radio zitten. Luistert)

Radio "Jean Valjean ging languit op zijn buik liggen en sloop de hut in. Op dat ogenblik weerklonk een woest gegrom. Hij sloeg de ogen op: het hoofd van een reusachtige dog tekende zich af in de schaduw. Het was een hondehok. Jean Valjean kroop het hok uit zo goed en zo kwaad als het ging. Hij kwam op straat terecht, alleen, niet wetend waar hij de nacht zou kunnen doorbrengen. Naar het schijnt heeft een voorbijganger die de straat overstak hem horen schreeuwen: "Ik ben niet eens een hond!" (Men hoort de klokken volop luiden. Jonathan komt binnen, op zijn paasbest. Alice kijkt hem onderzoekend van kop tot teen aan.) Alice Tracht de hele dag zo te blijven. Laat je aan je vader zien. (De ouders kijken naar Jonathan.)

Alice Hij zal dit pak aantrekken als hij gaat

daar waar u gezegd hebt.

Grégoire Er mag niet gezegd worden dat hij

minder is dan de anderen.

Alice Men moet trots zijn op zichzelf.

Grégoire Hoe was de mis? Jonathan De mis? (Grégoire lacht.) Grégoire Weet je, je bent niet meer verplicht er heen te gaan nu je je eerste communie gedaan hebt. (Hij lacht.) Ga boven wat boeken lezen van mijnheer de graaf, tot het middageten. Alice Het is nog vakantie, en het is zondag. Grégoire Ik zal het geen twee keer herhalen. (Jonathan gaat de trappen op onder de blikken van het paar.)

Grégoire We gaan er iemand van maken. Alice U bent te hard met hem. Het is nog een kind.

Grégoire Ooit zal hij er mij dankbaar voor zijn. Duisternis

('s Namiddags. Jonathan zit op de trappen. Grégoire en Ulysse, zijn schoonbroer, spelen het kurkespel op de stoep, côté jardin. Alice Ik ken de school waar ze naartoe gaan om advocaat te worden. De huisbewaarder is heel klein. Hij heeft zijn dochtertje verloren voor de oorlog. Ik zag haar vaak wanneer ik mijnheer André wegbracht, de zoon van de dokter bij wie ik werkte. Mijnheer André bracht ik iedere morgen naar de voorbereidende afdeling, daar net naast. Maar jij, jij hoeft toch niet meer weggebracht te worden. Elke dag om tien voor half acht is er een trein naar de stad. Lydie heeft het mij gezegd. Om tien voor acht ben je er. Het is op vijf minuten van het station. Let wel: als je zoals wij naar school ging om een stiel aan te leren, dan was het nog eenvoudiger. Het is net achter het station. Je neemt de voetgangersbrug en je bent er. Tante Lucie heeft bij een leraar gewerkt die er werkte. Je doet er mij aan denken dat we aan tante Lucie zouden kunnen vragen inlichtingen te winnen bij haar leraar. Misschien hoeft het niet eens. (Op de stoep.)

Ulysse Hij slaat zich wel door het atheneum, jullie knaap. Daar twijfel ik niet aan. Grégoire Eén zaak is zeker: hier, op het dorp, was hij altijd bij de eerste drie. (In de keuken.)

Alice Tegenwoordig is alles toch veel beter. In mijn tijd ging haast niemand naar school. Nu ik eraan denk: de buurvrouw heeft mij verteld dat ze jou weer heeft zien rondhangen op de vuilnisbelt. Dat is afgelopen nu, Jonathan, de vuilnisbelt. Hij heeft mij nogal doen afzien met zijn voorraad voor de voddenman. Ik trok hem een proper pak aan. Hij vertrok kraaknet. En dan kwam hij terug, vies en vuil tot achter zijn oren; hij sleepte zijn zak achter zich aan vol met aanwinsten. Wat een gewoonte toch! (Op de stoep.)

Grégoire Ik zeg het je nogmaals: "Een jaar overzitten, geen sprake van. Naar de fabriek!" Ulysse Natuurlijk. Het is hun toekomst. Grégoire Die kans hebben wij niet gehad. Ulysse Sinds de oorlog is alles toch aan het veranderen. (In de keuken.)

Alice Wat zei ik ook weer? Oh ja, in mijn tijd was ik heel ondeugend. Ik kon mijn studies aan naar het schijnt. Maar ik lachte liever met mijn vriendinnetjes. Ik was de grootste deugniet van de klas. En bovendien waren we met veel kinderen thuis. Ik was nog geen veertien toen men mij uitbesteed heeft bij de nonnen, in de kliniek. We hadden niet te klagen. We waren gelukkig zo. Er dient wel gezegd dat het onmiddellijk na de oorlog was: we hadden het moeilijk gehad. En de Duitsers waren boosaardiger geweest dan tijdens de laatste oorlog. Toen hij zijn eerste Duitser te zien kreeg heeft mijn grootvader uit schrik in zijn broek gedaan. (Op de stoep.)

Ulysse Als ik u een gouden raad mag geven: let

goed op zijn kameraadjes. Laat hem niet

omgaan met om het even wie.

Grégoire Met wie men verkeert wordt men

geëerd.

(In de keuken.)

Alice In het jaar veertig hebben we het niet breed gehad. Bij de oorlogsverklaring is je vader naar Frankrijk vertrokken en wij zijn met ons beiden gevlucht. En zeggen dat ik je wekenlang op een fietsje voortgetrokken heb. Toen we bovenop een helling aankwamen vroeg je me telkens: "Zijn we aangekomen?" En die keer dat je een huis bent binnengegaan. Je nam een slok van een fles met muskaatwijn, dan, hop, een handvol rozijnen. Zonder verpinken, mijnheer! (Op de stoep.)

Ulysse De vooruitgang, wat wil je? Grégoire Naar het schijnt gaan de vrouwen binnenkort stemmen.

Ulysse Tegenwoordig is het allemaal techniek wat de klok slaat. (In de keuken.)

Alice Dan is je vader teruggekomen van de oorlog. We hebben honger geleden. Vooral in het jaar 41. Het wittebrood, dat is voor de kleine, zei hij. De eerste keer dat ik hem een pannekoek heb zien eten van varkensmeel heb ik mij moeten inhouden om niet te huilen. We hebben afgezien! En al die dode paarden, in Boulogne, weet je het nog? En al die mannen, die jonge mensen, dood langs de wegen. (Op de stoep.)

Ulysse En vooral geen twee dingen tegelijk doen. De mijne studeerde goed. Dan heeft hij het in zijn hoofd gehaald trompet te gaan spelen. Vaarwel, Atheneum. Grégoire Men kan geen twee heren dienen. (In de keuken.)

Alice Maar ik belet je te lezen. En je zal veel werk hebben op school. Ik zal je niet altijd moeten lastig vallen met mijn verhaaltjes; Lydie heeft het mij gezegd. Haar schoonbroer speelt viool met een smoking aan in Amerika. Zij kent er wat van. Naar het schijnt heb je zo'n mooie eikels voor haar getekend. (Een poos.) We waren zo arm, Jonathan, zo arm. Je hebt er geen gedacht van! (Alice gaat buiten. Ulysse en Grégoire komen de keuken binnen.) Ulysse (Tot Jonathan.) De grote dag is weldra aangebroken. Ah, wat leuk een kind te hebben met verstand in zijn kop. Grégoire Maar je zal moeten werken, werken. Om niet te worden zoals wij. Ulysse Luister goed naar je vader, hij heeft gelijk. Je hebt geluk. Profiteer ervan. Grégoire Je niet inlaten met de anderen. Recht door zee gaan. Alleen. Je vastklampen. En vooral: slagen. Geen sprake van te dubbelen: de school of de knapzak, en de veldfles. (Zij drinken een kop koffie, gaan terug de stoep op waar zij lachend verderspelen. Jonathan blijft alleen achter.)

DOEK

DERDE TAFEREEL

Aan de waterkant, op een juniavond van het jaar 1948. Joseph, een arbeider, en Jonathan zijn aan het vissen.

Jonathan Plots bijt de snoek, daar, in het noorden, in de hemel. Ik voel hem, ik haak hem aan. Ik houd hem. Hij verschuilt zich achter een vijverwolk die echt de vorm niet heeft van een rechthoekige driehoek, dat verzeker ik je. Door het gewriemel van de vis zwelt de vijverwolk op en wordt een olifant. O kijk! Nu houd ik een blauwe olifant aan de lijn. Ik verstop mij achter een bolle wolk om hem niet af te schrikken. Ik zuig aan de bolle wolk. Want het is warm. De olifant komt aan mijn bol zuigen. Nu zijn we beiden in de hemel. (Een poos.) Nul op tien voor je verhandeling, mijnheer Jonathan Busiaux. Niet ongerust zijn, Joseph. (Lacht.) Het jaar is afgelopen. Jonathan heeft goed gewerkt.



Donderdag is het prijsuitreiking. Ik heb goed naar mijn vader geluisterd, ik heb goed mijn moeder, ik heb goed de buren, ik heb goed de graaf. Ik heb goed, Joseph. Mijn oren tintelen als die van een bokser. Vergeet het niet: er zijn er die luisteren en er zijn er die niet luisteren. Wat is er eenvoudiger dan dat! Maar waarom luisteren zoveel mensen niet en krijgen zij een onvoldoende? We zouden allemaal gelukkig zijn. Neen! Zij die geluisterd hebben dragen witte vleugels op hun voorhoofd en horens op hun kop. De eersten zitten op de wolk. De anderen zijn gevallen en kruipen door het slijk, bij de grondels.

Joseph Je babbelt de hele tijd. Een goede visser

praat niet. Je vader bijvoorbeeld.

Jonathan Hij praat nooit.

Joseph Hij is onze beste riviervisser. In het

vangen van zeelten heeft hij zijns gelijke niet.

Jonathan Aan tafel zwijgt hij ook. En hij vist

toch ook niet in zijn bord, dat ik weet.

Joseph Dan is het omdat hij voortdurend aan

vissen denkt. Het is zijn passie.

Jonathan Jij praat als je vist.

Joseph Ik vis en ik vang niets.

Jonathan Als ik spreek dan is het omdat ik al

twee jaar in die school in een wolk leef. Ik

begrijp niets. Ik slaag.

Joseph Haal je 70 % en doe geen examen. Dat is deregel.

Jonathan Over ons wordt er niet gesproken in die school.

Joseph Je kent Latijn, Jonathan. Besef je dat wel? Jij weet waar de woorden vandaan komen. Jonathan De hemel staat vol sterren. Maanden aan een stuk heb ik ervan gedroomd om naar hier te komen. Morgen wordt het toch mooi weer, niet?

Joseph Je moet de woorden kennen. Hun woorden.

Jonathan Ik word vliegenier.

Joseph Wil je geen geneesheer meer worden?

Jonathan Neen. Ter wille van de wolken.

Joseph Ik zal altijd maar een arbeider zijn.

Jonathan En ik?

Joseph Jij wordt iemand.

Jonathan Wat is dat dan?

Joseph Verkoop geen flauwekul. (Een poos.)

Jonathan Soms vraag ik mij af of ik niets

verkeerds gedaan heb.

Joseph Waar haal je dat vandaan?

Jonathan Ik weet het niet.

Joseph Denk aan de woorden. Ik had ze moeten

kennen.

Jonathan Ik heb het goed hier. We zouden hier altijd moeten leven. Ieder op zijn plaats. Alles is rechtvaardig. Je buigt voorover en je ziet je gezicht. Jouw gezicht. Voeten in de grond, haren in de kruinen.

Joseph Hier is het leven niet, Jonathan. De rivier is dood. De boten, de steenkool, de grondstoffen komen hier langs. Er komt wel een dag waarop je dat zal begrijpen. Jonathan Mag ik bij jou komen? (Hij komt bij Joseph zitten.)

Joseph Mijn vader had mij gezegd: "Neem het woordenboek. Lees de woorden." Ik ben beginnen lezen. Mijn vader heeft wel drie keer het woordenboek gelezen. Elke dag van zijn leven ging hij bij het venster zitten. Bladzijde na bladzijde las hij, en hij maakte aantekeningen. De bladen zijn vergeeld als oud krantepapier. Ik heb mij moegemaakt. Ik heb niet geluisterd. Je hebt gelijk. Er zijn er die luisteren en er zijn er... Nou, hij is in slaap gevallen. Precies een verloren hondje. Hij heeft alweer zijn wormen bij de mijne gestopt. Wat een kind toch! (Maakt Jonathan wakker.) We gaan terug! Jonathan Hola! (Hij staat recht, neemt een hengelstok als was het een degen.) In de houding!

Joseph (Hem nabootsend.) Kom jij niet naar Lagardère...

Jonathan Dan komt Lagardère naar jou toe.

Joseph We gaan binnenkort herbeginnen met de repetities voor het stuk. Kom je nog met ons meespelen? Jonathan Ja.

Joseph Ah, had ik maar een zoon zoals jij! DOEK

VIERDE TAFEREEL

's Avonds in de keuken. De radio speelt zacht. Men hoort, in een verzoekprogramma "U vraagt, wij draaien", liedjes uit de periode 45-48. Grégoire is ingedut aan de hoek van de tafel. Hij snurkt soms hoorbaar; hij droomt vooral. In zijn droom stoot hij een lange jammerklacht uit, zoiets als een striemende melopee. Jonathan staat in het midden van de keuken, onbeweeglijk als een model. De buurvrouw maakt Jonathans broek langer. Alice strijkt een wit hemd.

Buurvrouw (Stopt met naaien.) Op die leeftijd groeien de kinderen zienderogen. Als je ze altijd in 't nieuw wil zetten, dan zou je voortdurend je geldbeugel moeten openhouden. Het is geen schande een broek langer te maken. Hij heeft niets te kort. Weet u, zelfs bij de rijken... Ziezo. Klaar is Kees. (Zij vergewist zich van de goede lengte van de broek door hem langs Jonathan te houden.)

Alice (Razend.) Wie heeft toch het gesteven hemd uitgevonden! Ah, ik denk eraan, de knopen! (Ze gaat wat in de lade van de buffetkast rommelen, komt verder strijken, neemt de lange broek van Jonathan.) Het is goed. Ik ga er nog eens met de strijkbout over. (Ze bekijkt de lange broek.) Denk je echt dat men er niets van zal merken? Buurvrouw Neen. Laat het strijkijzer goed heet worden en maak het doek vochtig. Een arendsoog die het ziet. Alice Jonathan? Jonathan Ja.

Alice Morgen, in het groot theater, op de scène,

als de hoge heren je je prijs overhandigen, wat

mag je ook weer niet vergeten te zeggen? (Een

poos.) Dank u wel.

Jonathan Dat heb je al gezegd.

Alice Ze weten alles! Van ons hebben ze niets

meer te leren. Ondertussen moeten we hun alles

voorzeggen.

Buurvrouw Uw hoed?

Alice Ik had voor deze avond vrijaf moeten

vragen op de fabriek. Maar het is precies de

poetsbeurt van de tekenburelen. En over een

half uur moet ik opstappen. Laten we Grégoire

wakker maken: hij moet ook vertrekken, de

sukkelaar. Hoe laat is het? Jonathan?

Jonathan Ja?

Alice Het kan hem allemaal niets schelen. Jonathan Ik hou het water in het oog. Alice Het water?

Buurvrouw U hebt toch gezegd: "Zet water op voor je vader die zijn handen wil reinigen met de harde borstel daar."

Alice Dat klopt. (Alice maakt Grégoire wakker, en trekt hem zijn jas aan terwijl hij nauwelijks overeind is gekomen.)

Alice Het pochetje. We waren het voornaamste bijna vergeten! (Lydie komt binnen met een pak in de handen.)

Lydie Ik ben Arthurs handschoenen komen brengen. Het zijn zijn mooiste. Zijn grijze. Ik heb ze in het zijdepapier gelaten. Ze zijn een beetje versleten. Maar, in ieder geval, men hoeft ze toch niet aan te trekken. Buurvrouw O neen?

Lydie Ik heb dat reeds gezien. Men stopt ze in zijn jaszak en men laat de vingers een beetje uitsteken. Enfin, ik wil niet beweren... Alice Jonathan? Ja of neen? Jonathan Wablief?

Alice Hij weet het niet. Onmogelijk ook te

weten te komen hoe zijn kameraadjes gekleed zullen zijn.

Buurvrouw Op die leeftijd denken ze daar niet aan.

Alice Zeg liever dat ze niet verder denken dan hun neus lang is. (Jonathan gaat buiten. Hij neuriet hoorbaar, zingt dan heel goed een schools liedje zoals 'Het loze vissertje".) Lydie Wat zingt hij toch mooi. Ik zal hem zeker gaan toejuichen morgen. (Zij luisteren.) Alice Ik maak morgen het werk af. (Tot Grégoire.) Ik ga dan maar, hé. (Ze trekt haar mantel aan.) Zeg aan Jonathan dat hij een bad moet nemen. Hij mag de kleren niet aanraken die opgehangen zijn of die op de stoelen liggen. Zo winnen we morgen tijd. We mogen de trein niet missen. (De vrouwen gaan buiten. Grégoire dompelt zijn handen in het teiltje. Jonathan komt opnieuw binnen. Grégoire begint in zijn handen te wrijven. Af en toe giet Jonathan warm water over de handen van zijn vader.) Duisternis. (In de keuken. Jonathan neemt een bad in een kuip.) Fluisterende vrouwenstemmen

- Hij is geslaagd.

- Het is Grégoire zijn zoon.

- Ooit verlaat hij het dorp.

- Maar ooit komt hij rijk terug.

- Over twintig jaar zullen wij zeggen: "Jonathan is terug!"

- "Gisteren hadden we het nog over jou!"

- Ongelooflijk!

Stem van de notarisvrouw De gordijnen wapperen aan de ramen als je langskomt. Wees trots, Jonathan. Een schitterende toekomst lacht je tegemoet. Laat de armen jou aanraken, jou strelen. Je zal je lot niet ontkomen. Jonathan (Gesproken.) Afdalend van de heuvel der zeven sneeuwvlagen zal hij het dorp ineens innemen. De heks stopte, spuugde driemaal op de grond en sprak: "Het is Jonathan! Hij is twintig jaar geleden vertrokken. Hij zal het dorp aanvallen langs de ene kant. Langs de andere kant zuilen wij gered worden!" Fluisterende vrouwenstemmen

- Hij heeft lange tijd gezworven over de vlakte.

- Heb je zijn blik gezien?

- Leger dan de hemel. (Jonathan zingt.) Stem van de notarisvrouw Geef mij je ogen / Jonathan / Kom bij mij / Deze avond / Je bent uitverkoren. / Mijn muren staan grijs van verveling / En de maan spat uiteen / In vierentwintig stukken van verbittering / Op de brandramen van het kasteel. / Je voeten zijn vuil / Laat ze achter in de slotgrachten. (Jonathan gaat zingend de trappen op naar zijn kamer, naakt, gehuld in een deken.)

DOEK

VIJFDE TAFEREEL

In het theater. Door een glazen deur ontwaart men de zaal waar de prijsuitreiking plaatsheeft. Men kan flarden van een toespraak opvangen, onderbroken door applaus. Voor de glazen deur is er een soort wachtzaal: links, een bar, enkele tafels. Grégoire en Lydie zitten aan een van die tafels: voor hen, een drankje. Lydie Dat geluk heb ik niet mogen proeven. De mijne heeft niet willen studeren. Grégoire Wat is het toch warm in die zaal! (Toont de glazen deur.) Ik vraag me af hoe Alice het daar kan uithouden. (Hij kijkt naar Lydie.) Wat wil je, Lydie, als je hoofd er niet op staat... Lydie Zijn vader heeft er zich nooit mee beziggehouden, 's Avonds kwam hij doodop thuis van zijn werk. Zolang de kleine op de lagere school zat kon ik hem volgen. Maar daarna? Uiteindelijk heb ik hem naar de technische school moeten sturen, met de dood in het hart. Trots was ik niet.



Grégoire Een goed beroep, dat is ook niet mis. Je kan ze beter een beroep bezorgen dan ze zien ploeteren in hun studies.

Stem van de toespraak ... dames en heren, ik zal hiermee eindigen. De oorlog is reeds drie jaar voorbij. Het spook van de verschrikking is achteruitgedeinsd; maar weldra deinzen ook de grauwe vleugels van de sociale onrechtvaardigheid achteruit. Een nieuwe generatie dient zich aan. Daar zit zij, voor ons. U mag ze toejuichen. (Applaus.) Lydie Jonathan aardt naar zijn vader. Daar valt niets tegen in te brengen. U had een knappe kop. Had men u naar school kunnen sturen. Grégoire Wat voorbij is is voorbij. Lydie Als het erop aankomt een mooie brief te schrijven, bent u de man. En wat de spelling betreft, moeten er velen het tegen u afleggen. Stem van de toespraak Kinderen, wij zijn trots op jullie. Morgen zullen echte democratische structuren ingesteld worden... Grégoire Wat de kinderen nodig hebben is een knappe kop. Je hebt het of je hebt het niet. Lydie Je wordt ermee geboren. Uit een steen pers je geen olie. (Oorverdovend applaus.) Grégoire De toespraak is afgelopen. (Men hoort de Brabançonne. Grégoire en Lydie staan recht.)

Grégoire Maar als ze dan al een knappe kop hebben, moet je ze hard aanpakken. Jonathan zit daar, achter die deur. Hij is geslaagd. Hij heeft het mij tenminste gezegd. Maar hoe vaak heb ik dit van zijn moeder niet moeten aanhoren: "Grégoire, je bent te hard met de kleine."

Lydie Dat is waar. Op zekere dag was Jonathan ongehoorzaam geweest. U had hem in de hoek gezet, op zijn knieën, op een kachelpook, een dikke klomp in elke hand. Met pijn in het hart moest ik bekennen dat u gelijk had: karakter. Dat is wat mijn man te kort had. Grégoire U hebt het begrepen, Lydie. (Einde van de Brabançonne. Grégoire en Lydie gaan terug zitten.)

Een stem (Door de micro, achter de deur.) Nu gaan we beginnen met de afroeping van de uitslagen. (Grégoire reikt Lydie een papieren zak aan.)

Grégoire Eet, Lydie, Jonathan en zijn moeder

hebben al hun deel gehad.

Lydie Neen, ik heb er reeds een gekregen, 's

Morgens heb ik geen zin.

Grégoire Maakt u zich maar geen zorgen om uw

zoon. Hij zal zich wel uit de slag trekken in het

leven. Misschien zelfs beter dan de mijne. Eet.

Lydie Hij zal altijd maar een arbeider blijven.

(Applaus. Lydie gaat een blik werpen via de

deur die op een kiertje staat en komt terug tot bij

Grégoire.)

Lydie Hij heeft nogal wat prijzen weggekaapt, die jongen.

Grégoire Eet dan toch. Wat overblijft is toch verloren.

Lydie (Al kauwend.) Ze zijn lekker. Grégoire Het zijn de beste gebakjes van de stad. Ik en snoepgoed... In elk geval, Jonathan, de punten die hij behaald heeft, die heeft hij op zijn eentje verdiend. (Slaat met de hand op tafel.) Op zijn eentje!

Lydie Bent u ongerust, Grégoire?

Grégoire Neen, ik heb er goede hoop op. Maar

je weet toch nooit.

Lydie (Wijzend naar de zak.) Wat doe ik met het laatste gebakje?

Grégoire Laat het maar liggen. Is er hier geen vuilnisbak? (Staat op, zoekt een vuilnisbak, gaat terug zitten.) We zullen toch de hele stad niet afdweilen met die zak. Voor wie zouden ze ons aanzien? (Ze lachen.)

Lydie (Luisterend.) Jonathans klas is aan de beurt. (Applaus. Lydie gaat bij de deur staan. Maakt een ontkennend gebaar in de richting van Grégoire.)

Grégoire Hij is het niet, dat is zeker. Eerste! We

zouden te veel boffen. (De afroeping gaat verder.)

Grégoire Hij is alvast niet bij de eerste drie. Lydie (Begrijpend. Komt bij hem.) Hier is het moeilijker dan in het dorp. Grégoire Een lamzak. Lydie Wat zegt u?

Grégoire Spijtig dat Jonathan er nogal zijn broek aan vaagt. Hij is niet geslaagd in wiskunde. Dat staat vast. Ah! De stiekemerd! Lydie Ik ga eens zien. (Zij keert terug naar de glazen deur.)

Grégoire In ieder geval, de punten die hij behaald heeft, die heeft hij op zijn eentje verdiend. (Het applaus wordt spaarzamer.) Grégoire Zijn leraar wiskunde is een gek. Ik zal hem mijn zeg zeggen als hij buitenkomt. Trappen in het ijle, dat hoeft voor mij niet. Lydie Hij is het, Jonathan! (Men hoort iemand heel hard applaudisseren in de zaal.) Lydie 70,4 %. Hij is zevende. (Komt terug aan tafel zitten.) Prachtig, Grégoire, uitstekend! Laten we rechtstaan. Het zal weldra pauze zijn. (Het publiek komt buiten: ouders, leerlingen, leraars. Jonathan draagt drie boeken. Samen met zijn moeder komt hij naar Grégoire en Lydie toe.)

Notarisvrouw Daar komt je kleine beschermeling.

Graaf Hij heeft goed zijn best gedaan.

Notarisvrouw Uw lessen hebben vruchten

afgeworpen. (Ze gaan voorbij. Jonathan verlaat

zijn groep, voegt zich bij één van zijn leraars die

hem gelukwenst.)

Leraar Goed, goed, Jonathan.

Jonathan Daar zijn mijn ouders.

Leraar Uitstekend. Ik heb hen nog nooit gezien.

(Jonathan wenkt zijn ouders om tot bij de leraar

te komen.)

Alice Hij had beter gekund, nietwaar, mijnheer?

Leraar Dat kan altijd, mevrouw, men kan altijd

beter, maar zo is het ook al goed.

Lydie Volgende keer beter.

Leraar Precies. (Lacht.) Je ondergeschikte

zinnen wat bijwerken, nietwaar, Jonathan?

(Knijpt hem in de wang.)

Alice We zeggen het hem altijd. Het is een

speelvogel. Zo'n bende, dat moet niet gelachen

zijn!

Leraar Dat hoort bij hun leeftijd, mevrouw. Lydie De jeugd van tegenwoordig. Grégoire Denkt u dat hij aanleg heeft, mijnheer?

Leraar Dat denk ik wel, ja, ... het mooiste bewijs. Een ogenblikje, excuseer. (Hij verwijdert zich, groet andere ouders.) (Heen-en-weergeloop. Geluiden van een koor dat zich klaarmaakt vooreen optreden. Piano. Jonathan botst op zijn leraar.) Leraar Wat doet uw vader? Jonathan Diensthoofd. Op een kantoor. Leraar Zo... (Belgerinkel. Jonathan spoedt zich naar de zaal.)

Grégoire Waar gaat hij naartoe?

Alice Het koor is nu aan de beurt. (Zij gaat op

haar beurt binnen.) (Iedereen gaat binnen.

Stilte. Jonathan begint te zingen.)

Lydie (Tot Grégoire.) Komt u niet? Laten we

naar uw Jonathan gaan luisteren. (Lydie gaat

binnen. Grégoire blijft alleen achter.)

DOEK

ZESDE TAFEREEL

Zondagnamiddag. Grégoire en Ulysse spelen

met de kaarten. Jonathan praat met een

jongedame, leunend op zijn fiets.

Ulysse Hij is man geworden.

Grégoire Daaraan merk je dat je ouder wordt.

Ulysse Zijn en geweest zijn. Dat gaat niet.

Grégoire Toen Jonathan zeventien werd heb ik hem bij mij geroepen. Ik heb hem gezegd: "Jonathan, ga zitten. Je bent zeventien geworden. Nu ben je een jongeman: je mag uitgaan, dansen." Tot dan was hij nooit uitgeweest; hij kreeg twintig frank 's zondags om naar de bioscoop te gaan en om een ijsje te kopen. "Hier heb je wat geld. Je mag roken, al raad ik het je niet aan. Op je weg ga je vrouwen ontmoeten. Jawel."

Ulysse Het heeft geen zin hun de waarheid te verbergen.

Grégoire Men moet hun het leven uitleggen. "Je doet wat je wil. Ik zal je niet achternalopen. Maar let op: kom niet terug met een kleine op de arm."

Ulysse Goed gesproken, Grégoire. (Ze spelen verder.)

Ulysse U hebt hem een mooie fiets gekocht. Grégoire Ik had hem altijd gezegd: "Jonathan, als je ooit je humaniora uitdoet krijg je je fiets." Hij is geslaagd. Belofte maakt schuld. Ik heb de mijne gekregen op mijn vierentwintigste. (Eugène komt binnen, de zoon van Ulysse, slordig, nogal aangeschoten.) Eugène Hij hoeft slechts nog mee te doen aan de Ronde van Frankrijk. (Grégoire en Ulysse kijken ontzet. Eugène gaat naar Jonathan toe.) Ulysse Hij heeft weer eens gedronken. Heb dan eens kinderen.

Eugène Ik heb ook een mooie fiets gekregen. Sedertdien peddel ik. Van de bank naar huis, en van thuis naar de bank. Met versnellingen. Kruip daar niet op, Jonathan! Het is een rot geschenk. Dat ze van wielrennen houden, dat is hun zaak. Daar worden ze trouwens niet slimmer van. En de kapitalisten zitten de hele maand juni op rozen. Ulysse Sinds hij werkt heeft hij een honds karakter.

Eugène (Tot Jonathan.) Je gaat ook werken naar het schijnt? We zouden samen kunnen peddelen niet? Ga liggen en beweeg niet meer. (Schreeuwend:) Je moet naar de universiteit! Ulysse Bemoei u met uw eigen zaken. Grégoire Het staat nog niet vast dat hij niet zal gaan.

Eugène Goed gesproken, Grégoire. U bent een verstandig mens. Dat kan niet van iedereen gezegd worden.

Grégoire (Rechtstaand.) Niet in mijn bijzijn, Eugène.

Alice (Komt te voorschijn.) Een beetje respect voor uw vader!

Eugène Deze morgen heb ik een vroegere schoolkameraad ontmoet. Hij is tenminste aan de universiteit. Al drie jaar. Ik kijk hem aan. Ik dacht dat hij mij zou aanspreken. Hij is langs mij heengelopen zonder te stoppen. Een meewarig glimlachje, ja. De smeerlap! Hoe vaak heb ik hem op het lyceum mijn Latijnse vertalingen niet doorgespeeld. Ulysse Ga daar maar niet prat op. Ten slotte bent u langs het achterpoortje buitengegaan. Eugène Het achterpoortje... Je gaat buiten, dat is alles. Ik ben niet op handen en voeten buitengekropen.

Ulysse Was u maar met opgeheven hoofd buitengegaan. In plaats van uw tijd te verprutsen met naar muziek te luisteren, met in een trompet te blazen. Eugène Meneer houdt niet van jazz. Alice Uw vader heeft u dan toch een mooi diploma in de handen gestopt. U zal tenminste niet naar de fabriek moeten gaan. Eugène Jonathan, je moet viool leren. We vinden wel een stel zielepoten van ons slag om een kwartet te vormen, al was het maar om sommigen te verstrooien en zelf rond te komen. Mijn sergeant-majoor was slimmer in zijn pink (tot zijn vader) dan u in uw hele lijf. Hij heeft mijn hand gelezen en hij heeft mij gezegd: "Eugène, je bent een genie. Met zo'n handen ga je het ver schoppen." Arme drommel. Ik had



naar hem moeten luisteren. De laatste maanden van die stomme legerdienst dacht Eugène, soldaat eerste klas, elke morgen bij het krieken van de dageraad: "Wat zal er van je worden? Binnenkort kom je op de arbeidsmarkt terecht. Je hebt de edele stemmen van Vergilius en Demosthenes bestudeerd. Hier, in de kazerne, sla je de hielen tegen mekaar dat je schedel ervan barst. Vergilius en Demosthenes zien daarvan af. En jij, jij groet de nationale driekleur, als een rots in de branding, door weer en wind. Waarom heb jij Vergilius en Demosthenes geleerd? Je was goed op weg. Waarom stoppen onderweg? Verzaak, soldaat, en ga werken op een kantoor. Waarom niet? Er zijn avondlessen, cursussen per briefwisseling, knutselwerk, klusjes in het zwart. Slaap in vrede. Morgen wordt het een andere dag. De zon zal weer rijzen; de vlag ook." Neen, generaal, wees ambitieus. Ga naar de universiteit. Er bestaan beurzen, je kan babysitten, de vaat doen, en vakantiejobs in de fabriek. De voordeur, dat is ook voor jou weggelegd. Slaap, denk niet meer na. Alice (Tierend.) Wil je jezelf in nesten werken? (Ulysse gaat naar zijn zoon toe om hem een oorvijg te geven.) Eugène Waag het niet! Grégoire (Haalt ze uiteen.) Moet er bloed vloeien misschien?

Alice Ellendig, Grégoire. Ze zijn nooit tevreden. En wanneer je je longen zal uitbraken in de mijn, zal hij in je gezicht spugen. (Grégoire slaat met de vuist op tafel. Stilte.) Grégoire Afgelopen. (Een poos.) Grégoire Koffiepauze. (Een poos.) Grégoire De universiteit. Daar weten wij niets van af. Naar het schijnt kost dat veel geld, dat is waar.

Eugène Iedere dag van je leven, jaren aan een stuk, van zodra je ogen zullen opengaan, dezelfde vraag: "Wat nu?" Jonathan Wat nu?

Eugène Ze zien ons voor mislukkelingen aan. Alice Eugène!

Grégoire Laat hem met rust.

Ulysse We zijn maar arbeiders. We hebben geen

geld.

Eugène Zweer het! (Stilte.) Grégoire Komaan, laten we dit partijtje kaarten uitspelen. (Ulysse gaat buiten, gevolgd door zijn zoon. Grégoire gaat terug zitten, raapt de kaarten op.)

Alice Hou je geld, en verlies je zoon. Grégoire Ulysse is nooit een speler geweest.

DOEK

ZEVENDE TAFEREEL

In de kelder. Jonathan zit op de trappen. Grégoire schept kolen opzij met een schop. Grégoire Grote onderscheiding! Aan zo'n verrassing had ik mij niet verwacht. Toen we jouw telegram ontvingen heeft je moeder geweend van vreugde.

Jonathan Ik moet zeggen dat het niet slecht is voor een arbeiderszoon. (Een poos.) Grégoire Voor een arbeiderszoon? Jonathan Ja, er zijn er zo weinig aan de universiteit. Grégoire Zo weinig?

Jonathan Vijf ten honderd, beweren ze. Ik van

mijn kant denk dat je ze op de vingers van één

hand zou kunnen tellen.

Grégoire En de anderen?

Jonathan Wat, de anderen?

Grégoire Ja, de overige studenten, hoe heet men

ze? (Een poos.)

Jonathan Gewoon, ... niets.

Grégoire Niets?

Jonathan Zij zijn gewoon zichzelf. Ze krijgen geen naam.

Grégoire Ze zijn de zonen van hun vader. Jonathan Ja, zo je wil. (Een poos.) Grégoire Studeren jullie hetzelfde? Jonathan Ja.

Grégoire En zullen jullie hetzelfde beroep uitoefenen?

Jonathan Ja. (Een poos.) Jonathan Ik zal geluk gehad hebben. Grégoire Een arbeider, dat is niets. Jonathan Wat bedoel je? Grégoire Niets. (Grégoire hoest.) Jonathan Ga toch weg uit de mijn. Over een jaar verlaat ik toch de universiteit. Grégoire Het is niet ter wille van jou dat ik er blijf. Te laat. De mijn, dat is een drug. (Een poos.)

Grégoire In de dorpsschool, zei men daar ook dat je een arbeiderskind was? Jonathan Dat herinner ik mij niet meer. (Grégoire haalt een bokaal vanonder de kolen.) Grégoire Dit is je laatste jaar aan de universiteit. Daarmee zal je kunnen springen van de kelder naar de zolder. (Hij haalt bankbriefjes uit de bokaal.)

Grégoire We gaan de enveloppes maken met je moeder.

Jonathan Dat stelt nogal wat boeken voor. Grégoire Er zijn er inderdaad almaar meer in dit huis. Je moeder weet niet meer wat ze ermee moet doen. (Ze lachen.) Jonathan En zeggen dat er bij het begin slechts één boek te vinden was hier. Het woordenboek dat men mij gegeven had en waar er drie bladen van ontbraken. Weet je het nog? Dat van de familie die we gingen bezoeken, ik achterop je fiets, en we kwamen terug langs het spaarbekken in het donker. Al dat schuim op de rivier. Daar was onze neef verdronken, zei men. Nochtans de beste zwemmer uit de omgeving. Op een avond was het feest; hij kwam terug met zijn verloofde, onder het eten van kersen. En dan is hij in het spaarbekken gevallen. Men heeft beweerd dat de vader van het meisje hem erin geduwd had. Omdat hij met zijn dochter vrijde. Verborgen achter een struik. (Grégoire is gaan zitten op de trappen terwijl Jonathan babbelt.)

DOEK

ACHTSTE TAFEREEL

Een kamer die ingericht wordt, kleinburgerlijk van stijl. Eugène en Jonathan zijn aan het schilderen.

Eugène En je leerlingen, die maken boel zeker? Jonathan De allereerste uren van de cursus zijn van het hoogste belang. Als je te veel balast afgooit, dan krijg je gebabbel en gelach. Kermis kortom! Neen, het masker. Bij de eerste die praat zwijg je even. Je kijkt langzaam naar hem op.

Eugène Stilte?

Jonathan Dan heb je het pleit gewonnen. Volwassen worden kost moeite. Eugène Later zullen ze je dankbaar zijn. Jonathan Je moet weten dat de meesten onder hen minder begoeden zijn, uit kansarme milieus komen, arbeiderskinderen meestal. Eugène Zoals wij. Maar pas op als ze eruit willen ontsnappen.

Jonathan Het milieubegrip moet voor elke leerling van meet af aan omschreven worden wil je de psychologie van de betrokkenen doorgronden.

Eugène Voor hen ben je het gedroomde voorbeeld. Een leraar die er gekomen is louter en alleen door eigen wilskracht. Als ze naar je luisteren winnen ze.

Jonathan Als het van mij alleen afhing dan zou ik alles wit schilderen. Een bed, een tafel. Twee stoelen. Boeken, veel boeken. (Ze gaan buiten. Ulysse en Grégoire komen binnen.)

Grégoire Studies gedaan in juli? Trouwen in september. Zo gaat dat tegenwoordig. Ulysse Veel genoegdoening moet men van zijn kinderen niet meer verwachten. Grégoire Hij is toch goed getrouwd. Ulysse Hij heeft een goed nummer getrokken. Maar hij zal zijn vader nog nodig hebben. Grégoire Ze gingen iets huren. Een mooi huis, pas. Suzanne zal er zich goed voelen. Een voorname buurt. Iedereen was tevreden. Kom eens zien. Ik zou het mezelf nooit gegund hebben,

Ulysse Een huwelijk vraagt een nestje. Grégoire Mooie gevel.

Ulysse Een leraar woont niet om het even waar. Grégoire Het dak, Jonathan, heb je het dak gezien? Binnen de drie maanden is het een zeef. En de eigenaars houden liever de geldbeugel gesloten. En de vochtigheid dan? Ulysse Dat is pas narigheid. Je moet altijd de lijmpot bij de hand hebben om te herplakken. Om van de gezondheid maar te zwijgen. Grégoire Hier zijn de muren alvast droog. Ulysse Kurkdroog. Een huis huren, dat is geen fluitje van een cent. Ze mogen dan nog tot hun vijfentwintigste naar school gaan, de intellectuelen zijn niet van alles op de hoogte. Grégoire Ik heb hem wat gereedschap gebracht. (Ze gaan buiten. Alice en Suzanne komen binnen.)

Suzanne Er komt iemand.

Alice Wie bijvoorbeeld?

Suzanne Een collega van Jonathan, de vader

van een leerling, een belangrijk iemand.

Alice Er wordt gebeld.

Suzanne De deur? Niets bijzonders.

Alice De gang is in orde.

Suzanne Herschilderd. (Jonathan en Eugène

komen terug binnen.)

Jonathan Nu nog de plinten.

Eugène Daar hou ik mij mee bezig.

Suzanne De hal dus. De kapstok, het fluwelen

gordijn. Het komt de eetkamer binnen.

Alice (Tot de "onbekende".) Gaat u zitten. (Tot

Suzanne.) Uw nieuwe zetels zijn er.

Suzanne Ik ga mijn man waarschuwen.

Alice Jonathan schept vlug wat orde. De

bezoeker komt binnen. Alles verloopt naar

wens.

Suzanne Jonathan, het is beslist. De eetkamer

daar, het bureau hier. Wat denk je ervan?

Jonathan Denk je werkelijk dat we zoveel

bezoek zullen ontvangen?

Alice Er komt altijd wel iemand. Ik heb het

Grégoire nog gezegd: "De kinderen zullen we

niet te veel mogen storen."

Suzanne U zult steeds welkom zijn.

Alice Het huis is groot. Komt er iemand, dan

blijven wij in de keuken.

Suzanne Wie u te min vindt zet hier nooit een

voet binnen. (Beide vrouwen gaan buiten.)

Eugène Spreek je met hen soms over het

arbeidersmilieu?

Jonathan Je mag niet aarzelen om je te engageren, om over politiek te praten. Gisteren heb ik nog een uittreksel van Victor Hugo geanalyseerd. Uit "Les Misérables." Het was schitterend. Ze luisteren met hun mond open. Mijne heren, het arbeidersmilieu ken ik als mijn broekzak. Ik heb er twintig jaar in geleefd. Ik heb de ellende gezien, de honger, de waanzin, de grootheid, de laagheid, de onwetendheid, de ziekte. Victor Hugo heeft de ellendigen van de 19e eeuw beschreven zoals Dante dat zou gedaan hebben. En de arbeidersklasse heeft er zich in herkend. Kijk, tijdens mijn jeugd heb ik ooit mijn vader zien zitten bij de radio; hij luisterde precies naar de "Misérables", zijn oor tegen de radio aan. Ik zie hem nog, het hoofd in zijn handen vol aarde en bloed (Een poos.) om geconcentreerd te kunnen luisteren. Hij luisterde met tranen in de ogen hoe een beroemde schrijver het ellendige lot bezong van het volk. Zo'n ogenblikken vergeet je niet. Door hard te



werken, door te lezen - lees, lees zonder ophouden -, door na te denken, door discipline - je moet je iets kunnen ontzeggen - zullen jullie een plaatsje veroveren onder de zon.

Eugène Ze hingen zeker aan je lippen? Jonathan Je doet wat je kunt. Niet alle leraars spreken overigens dezelfde taal. Aan de universiteit heb ik ooit een professor gekend die de arbeiders turf noemde. Eugène De smeerlap!

Jonathan Het zal wel een uitzondering zijn. Eugène Jonathan, ik moet je iets toevertrouwen. Jonathan Ik luister.

Eugène Weet je nog, enkele jaren geleden heb ik je moeten aanporren om naar de universiteit te gaan.

Jonathan Zonder jou was ik verloren geweest. Eugène Jouw succes geeft mij moed. Ik overweeg mijn studies weer op te nemen, terwijl ik verder blijf werken in de bank. Jonathan Je zal de eerste niet zijn. Kwestie van door te bijten.

Eugène Vind je dat ik er goed aan doe?

Antwoord mij in alle eerlijkheid, wees niet bang.

Jonathan Ja. Wat een vraag.

Eugène Ik ga een bureau kopen. (Ulysse en

Grégoire komen binnen.)

Ulysse Wat zijn die twee daar weer aan het

bekokstoven?

Grégoire (Tot Eugène.) Wedden dat hij weer over politiek bezig was? Sinds hij naar de universiteit is gegaan, heeft hij zin om in de politiek te stappen.

Eugène Neen, we waren over kopen aan het spreken. Een huis kopen. Huren, dat is niet het ideale. Maar je moet je eerst installeren, een auto, een kind.

Ulysse Een redelijk programma. (Ulysse gaat zitten, haalt boterhammen te voorschijn.) Heerlijk te kunnen zitten als je eet, op je gemak. (Tot Grégoire.) Dat moet u wel bevallen nu u op pensioen bent.

Grégoire Ik heb hem altijd gezegd: "Jonathan, doe niet aan politiek. Daar krijg je alleen maar problemen van. Voor de anderen kun je alleen maar waterdrager zijn. Je wordt altijd ontgoocheld. Je moet meehuilen met de wolven. Zeg het hun ook, Ulysse. Ulysse Allemaal judassen. Of ze nu socialisten zijn of niet. Ze zijn nog erger. Je kunt niets goeds meer van hen verwachten. We zijn goed geplaatst om het te weten. Luister naar uw vader: tot hier toe hebt u het gedaan. Doe zo verder.

Grégoire Ze maken misbruik van ons, laten we hetzelfde doen met hen. Jonathan wilde volksvertegenwoordiger Grimaud niet gaan opzoeken.

Ulysse Toch niet waar zeker!

Grégoire Wil je een job, zoek dan een lange

arm. Een héél lange arm.

Jonathan Ik kan er maar moeilijk in komen dat

je mijnheer zus of zo zijn slippen moet dragen

om te mogen je brood verdienen.

Grégoire Vooral geen grote mond alstublieft.

Ulysse Anders loop je de kans nooit benoemd te

raken.

Grégoire Daarna doet hij waar hij zin in heeft. Maar zo weinig mogelijk politiek. (Alice en Suzanne komen binnen. Ze brengen koffie aan en schenken die in.)

Ulysse Lang geleden dat ik nog zo'n goede

koffie gedronken heb.

Grégoire Jonathan is met een heuse kokkin

getrouwd.

Eugène Op jullie nieuwe woning! Allen Op de woning!

Suzanne Wanneer we onze intrek nemen zullen we een feestje geven.

Ulysse Ik zal voor u zingen, Suzanne. (Hij heft één of ander ouderwets liedje aan. Iedereen lacht uitgelaten.)

Alice (Tot Ulysse.) Ik zal met u dansen. (Jonathan gaat achter zijn vader staan, slaat zijn armen om diens hals om hem te omarmen. Grégoire maakt zich brutaal los. Algemene stilte.)

Alice Wat bezielt er u, Grégoire? Hij zal u toch niet wurgen. Jonathan wilde u omarmen. Grégoire (Verward.) Zolang ik er ben... zolang ik er ben... zal ik zijn vader zijn. (Ulysse neuriet gedempt. Stilte.)

Grégoire Het wordt stilletjes aan tijd om op te stappen.

Alice Er is nog tijd genoeg. Jonathan Ja, jullie hebben al de tijd. Ze drinken. Een poos. Eugène en Jonathan gaan buiten werken. Alice en Suzanne gaan buiten na de tafel te hebben afgeruimd. Grégoire hoest hevig. Dan stroopt hij een broekspijp op. Hij duwt zijn duim in zijn been, haalt zijn duim weg, wacht.

Grégoire Zie, het spoor van mijn duim blijft zichtbaar. Het is het water. Stoflong. Mijn longen zitten vol stof. Mijnwerkers zijn precies huizen. Het water stijgt in de kelder, stijgt, stijgt. Ik zal het niet lang meer trekken. Zeg het hun niet. Ik heb hem mijn gereedschappen gebracht. Geen onnodige kosten doen. Dat ze mij begraven in de tuin of in een bos. (1) (Laat de broekspijp weer zakken.) Ulysse U gaat me toch niet alleen achterlaten, Grégoire. Misschien is het niet eens wat u denkt. (1) (Ulysse staat plots op en gaat tegen de marmeren schouw leunen, zijn hoofd in zijn handen.)

DOEK

(1) Beide replieken mogen in het dialect gebracht worden.

NEGENDE TAFEREEL

Tien jaar later, op het kerkhof van het dorp. Alice Jaren aan een stuk heb ik de bloemen gekweekt, in de overtuiging dat je ze met Allerheiligen ging komen neerleggen op het graf van je vader. Ik dacht bij mezelf: "Dit jaar komt hij." De avond kwam: in november valt de nacht vlug in. Wat ben ik onnozel! Allerzielen, dat is de dag na Allerheiligen. Mijn geheugen laat mij in de steek. Ik word een dagje ouder. Morgen komt hij. Jonathan Vorig jaar heeft het niet veel gescheeld.

Alice Jullie kind was ziek. Jonathan Ik ga bloemen kopen in de winkel. Alice De winkel is al vier jaar dicht. Ik was vergeten het je te zeggen. Het is mijn schuld. Jonathan Neen...

Alice Je oom Ulysse zal wel enkele dahlia's over hebben. We verwachtten jouw bezoek niet meer. Dit jaar kom je, op voorhand! Allerheiligen is pas overmorgen. Wat een geluk dat ik je hier aangetroffen heb, want elk jaar kom ik iets vroeger, wanneer het kerkhof leeg is. Je had voor een gesloten deur kunnen staan. Kun je me geen berichtje sturen? Jonathan Ik weet dat je er altijd bent. Alice Oom Ulysse zal een grote grafkelder laten bouwen voor de zijnen. Wij hebben het op een akkoordje gegooid. Er zullen twee plaatsen over zijn: één voor je vader en één voor mij. Jonathan Ik had je over een toekomstplan gesproken.

Alice Ja, een graf met de naam van je vader erop in gouden letters. Kleine marmeren zuiltjes errond. En een ketting met grote schakels... Jonathan Ik had zoveel om het hoofd. Ik ben het uit het oog verloren.

Alice Verontschuldig je niet. Zoveel vroegen we niet. Een steen, Jonathan, een steen met de naam, de twee data. Het graf was niet breed. Jonathan Je mag nog van mening veranderen.

Alice Neen, dat is afgesproken. We zullen je vader ontgraven. (Een poos). Alice Je bent dezelfde niet meer, Jonathan. Jonathan Hoe bedoel je? Alice Je moeder is niet de enige die dat denkt. Maar je bekreunt je niet veel meer om je moeder. Een moeder, Jonathan, men heeft er slechts één. Had ik nog de mijne, dan ging ik ze halen op mijn knieën. Je komt nooit meer je familie opzoeken. Gisteren zei Ulysse nog: "Voor Jonathan zijn we te min. Het is een mijnheer."

Jonathan Waar halen jullie dat vandaan? Ook jullie bezoeken worden schaarser, en ik stel toch ook geen vragen.

Alice Wanneer ik terug thuis kom van bij jou, ben ik dezelfde niet meer. De andere keer heeft iemand mij gezegd: "Men zou zweren dat je angst hebt, Alice, wanneer je terugkomt van bij je kinderen."

Jonathan Wie heeft dat gezegd?

Alice Dat is van weinig belang, je zou mij toch

niet geloven. Hij is gelukkig.

Jonathan Wie?

Alice (Wijzend naar het graf.) Hij. Hij ziet niets meer.

DOEK

TIENDE TAFEREEL

Bij Alice thuis, 's Avonds in de keuken. Alice Eten, eten, u zal hem daarna alle nieuwtjes kunnen vertellen. Eugène Het is dus gebeurd op een decemberavond, vier jaar geleden. Er was een avondfeestje in het Cultureel Centrum, je weet wel dat nieuw gebouw dat ze gezet hebben. Jonathan Was u erbij? Eugène Neen.

Ulysse Maar het verhaal heeft de ronde gedaan in het dorp.

Eugène Op dat feestje was dus de zoon van de melkboer.

Ulysse Het is een belangrijk man geworden. Hij moet zich vertonen. Daar heeft hij hem ontmoet. (Tot Eugène.) Vertel jij maar verder. Eugène Hij heeft een jongeman leren kennen, Stéphan.

Alice De zoon van Théodore. Jonathan Théodore?

Ulysse Je vader ging vaak met hem vissen. Weet je dat niet meer? (Een poos.) Eugène Goed. Een glas, twee glazen. Na het feestje was er een bal. Een derde glas, een vierde. Tot dan, niets bijzonders te melden. Ulysse Een man mag een glas drinken met een andere man, daar moet je toch niet meteen van alles bij gaan denken. Eugène Rond één uur stelt de zoon van de melkboer aan de andere, die jongeman dus, voor hem naar huis te brengen. Hij heeft een slee van een wagen. Hij is een belangrijke scheikundige geworden bij Empyrex. Jonathan De nieuwe fabriek? Ulysse Ja. Ken je die? Jonathan Ja.

Eugène Kortom, ze keren langs een omweg terug, een lange omweg. In het Essartsbos stopt de zoon van de melkboer. Begrijp je het al? Alice Théodore heeft klacht ingediend. Eugène De zoon van de melkboer heeft die jongeman besprongen. Alice Om misbruik van hem te maken. Ulysse Een echte smeerlap, waar gaat dat naartoe?

Alice Eten. Alles moet op. Ik ben alvast bediend.

Ulysse Er wordt aangeklopt. (Lydie komt binnen.)

Alice Kom binnen, Lydie. Herkent u hem? Lydie Jonathan! (Ze kussen elkaar.) Lydie Dat is toch lang geleden.



Regisseur Marc Liebens (links), dramaturgen Jean-Marie Piemme en Michèle Fabien en auteur Jean Louvet (rechts, staande) in het decor van "Conversation en Wallonie" - Ensemble Théâtral Mobile, 1978

Alice Hij had zoveel te doen. Ze hebben uiteindelijk toch hun huis gekocht. Dan, nieuwe meubelen. Ze zijn nogal ingericht, hoor. Ulysse Goed. Weet je wie er gestorven is? Jef. Jef, de Vlaming.

Jonathan Zo oud was hij toch niet.

Ulysse Hij was nooit ziek geweest. Weet je het

nog? Zo stoer als een eik. Als hij thuiskwam van

de fabriek, at hij een brok en dan, hup, de tuin

in.

Alice Wist niet van ophouden.

Ulysse Hij gaat met pensioen. Maar het duurt

niet lang of hij voelt zich niet goed.

Lydie Duizelingen, heeft Juliette, zijn vrouw,

mij gezegd.

Ulysse Jef wint wat inlichtingen in, overlegt bij zichzelf wat hij gaat doen, wacht af. Ze zijn allebei zo gierig als wat. Ze bijten een frank in twee. Kortom, uiteindelijk komt de dokter. Het hart, het hart is versleten. Opgelet voor een hartaanval. Een speciaal dieet. De dokter gaat weg. Dat dieet kan me gestolen worden, zegt Jef. En hij leeft verder zoals voorheen. Voordien had hij een gezonde eetlust: die is niet verminderd. Kortom, met Kerstmis, nu Jefs zoon getrouwd was, heeft hij de avond ervoor een etentje bij hem thuis georganiseerd. Jef gaat ernaar toe. 's Anderendaags ligt hij in zijn bed, zo wit als een lijk. Ze hebben het Juliette genoeg gezegd: Jef is ziek. Het is ernstig. Een man gelijk hij, dat is niet normaal. Daar komt een dokter aan te pas. De dagen gaan voorbij. Jef was nooit ziek geweest. Juliette wilde van geen dokter weten. Hij is gestorven. Gierig! Nog liever creperen. Je vader zei altijd: "Jef, dat is een slaaf." Weet je nog dat hij dat zei? Jonathan Niet in mijn bijzijn. Ulysse Haar man laten sterven omdat een doktersbezoek te veel zou kosten. Juliette, die zie ik niet meer staan. Nooit meer. Alice Eten. Alles moet op.

Lydie We eten, Alice.

Alice Anders bederft het toch.

Ulysse Ze mag creperen.

Jonathan Wat is er gebeurd in Empyrex?

Eugène Met de zoon van de melkboer?

Ulysse Ze hebben alles zoveel mogelijk in de

doofpot gestopt.

Jonathan Is er bij Empyrex geen staking aan de gang?

Eugène Het is een nieuwe fabriek die men al wil sluiten denk ik. De arbeiders zijn in staking. Ulysse Dat zal niet blijven duren. Mooie verrassing dat je met Allerheiligen eens afkomt. Maar het graf van je vader, is dat nu juist voor de bocht of erachter, wanneer men voorbij de witte muur gaat, op het kerkhof? Ieder jaar vergis ik mij. Is het het graf waar geen naam op staat?

Eugène (Wijzend naar Ulysse.) Weet je dat hij verhuisd is?

Ulysse Ik betaalde niet zoveel. Ik heb daar vijftien jaar gewoond; ik betaalde duizend frank huur.

Jonathan In 1976, dat is voor niets. Ulysse Akkoord. Maar het dak. Het dak, Jonathan, je weet hoe belangrijk dat is, het dak van een huis. Weet je nog, toen je pas getrouwd was had je een huis gekozen met een slecht dak. En het is Grégoire die jou van mening heeft doen veranderen.

Jonathan Grégoire, mijn vader?

Alice Grégoire, wie zou dat anders kunnen zijn?

Dat is je vader, ja.

Ulysse Het dak lekte langs alle kanten. Je had me eens op zolder moeten zien rondlopen met potten en pannen. Ik heb drie keer de eigenaar gezien. "Voor duizend frank per maand hebt u niet te klagen. Met de rest hou ik mij niet bezig."

Jonathan Dat is niet wettelijk. Het dak, dat is voor de eigenaar.

Ulysse Niets aan te doen. Ik ben weggegaan. (Een poos.)

Alice Weet je dat we eindelijk aangesloten zullen worden op de riolering? Jonathan Dat is niet te vroeg. Eugène Ze stonden zes tegen vijf in het schepencollege. Zes rechts, vijf links. En Fraikin, de ijzer handelaar, die altijd rechts geweest was, loopt toch wel over naar links zeker. Op slag zes links. Dat is nogal een schandaal geweest. Gisterenavond waren we er nog over aan het praten, met de oudjes, voor de deur.

Jonathan Ja, ik heb ze zien zitten op hun stoel,

daarstraks. Wat zijn ze verouderd.

Ulysse Af en toe babbelen we nog, als het mooi

weer is, maar het is niet meer zoals vroeger. We

spelen niet meer, Jonathan. Dat is voorbij, de

goeie oude tijd dat we speelden met je vader. Of

het nu zomer was of winter.

Jonathan Met de lotto.

Ulysse 's Winters niet, dan speelden we geen

lotto.

Lydie Triktrak,ja.

Alice Ik ga de krans klaarmaken in het berghok. Ulysse En met je vader waren er nog die fameuze partijtjes met twee kaartspellen, twee volle spellen, weet je nog? Jonathan Neen.

Lydie Ik ook niet. Ons geheugen is niet meer wat het was.

Ulysse We zijn vermoeid.

Jonathan Hoe eigenaardig. Ik heb de indruk dat

ik geen herinneringen meer heb aan mijn vader.

Lydie Dat is maar een indruk.

Ulysse Zoals Lydie zegt: het is misschien het

geheugen dat verdwijnt. Maak u daar maar geen

zorgen over.

Jonathan Net of hij nooit geleefd heeft. Lydie (Opstaand.) Ik stap op, Jonathan. Tot morgen.



Repetitiefoto 1978

Ulysse Ik moest ook maar eens opstappen. (Eugène komt terug binnen.) Eugène Een man heeft dat zopas voor jou gebracht. (Jonathan leest het briefje, legt het op de tafel.)

Jonathan Ik kom binnen een paar uren terug.

Wilt u mijn moeder waarschuwen, Ulysse? Ik

zal hier de nacht doorbrengen.

Ulysse U kunt op mij rekenen. (Jonathan gaat

buiten.)

Ulysse (Leest het briefje.) Aan kameraad Jonathan Busiaux. De vergadering zal plaatsvinden in de refter van de fabriek. Wij staan te uwer beschikking voor alle bijkomende inlichtingen. De fabriek wordt bezet vanaf deze nacht. Het stakingscomité van Empyrex. (Eugène gaat buiten. Ulysse legt het briefje terug neer.)

Ulysse Hij heeft geen herinneringen meer aan zijn vader die mijnwerker was, en hij komt naar de stakersvergadering van Empyrex. Jonathan heeft altijd al een speciaal karakter gehad. Alice (Komt terug binnen.) Ik heb een mooie krans van dahlia's klaargemaakt voor zijn vader. Waar is hij?

Ulysse Hij zal terugkomen. Maak koffie voor hem klaar. Hij zal werk hebben deze nacht.

DOEK

ELFDE TAFEREEL

's Avonds bij Alice. Jonathan tikt verwoed op zijn schrijfmachine.

Jonathan (Leest.) Nieuwe bedreigingen van het patronaat wegen op de syndicale vrijheden. Het conflict is losgebarsten... (Alice schenkt koffie in, Jonathan drinkt.)

Jonathan Je gaat me niet geloven, maar ik ben gelukkig dat ik ze allemaal eens heb teruggezien: Ulysse, Eugène, en al de anderen. Ze leken

gelukkig mij terug te zien. Ze veranderen niet. Alice Jij bent het die verandert. Heb je ze gehoord? "Welk graf is van je vader, Jonathan? Nou, weet je niet meer welke spelletjes hij speelde? Herinner je je niet meer wat hij zei?..." Je stond met je mond vol tanden. Jonathan Details. Het volstaat een inspanning te doen om mij duizend beelden uit zijn leven, van tussen deze vier muren, voor de geest te halen.

Alice Toen hij zijn zakmes nam om voor jou een pijlpunt te scherpen, toen hij op vissen loerde, gebukt tussen het riet, toen hij lachte, toen hij vooroverboog naar de pioenrozen in de tuin, toen hij op uitkijk stond naar de vogels om het weer te kunnen voorspellen, toen hij dronk met zijn vrienden, al die mannen die hier over de vloer kwamen, 's morgens, met hun ogen vol stof, je bent alles vergeten. Hoeveel heb ik toch niet van hem gehouden! Ik dacht dat mijn voorbeeld bij jou een lichtje ging doen opgaan. Hoe goed heeft hij mij niet verzorgd toen ik ziek was. En hoe we probeerden te lachen tijdens de oorlog, toen we het varkenseten een beter smaakje probeerden te geven. Ik hoop voor jou dat je nooit de oorlog mag meemaken. Maar jullie vragen er haast om. De wereld is te slecht geworden. Ze zullen een grote schoonmaakbeurt houden en orde op zaken stellen. Jonathan Je weet niet meer wat je zegt. Alice Vergeef me. Ik ben oud geworden. Ik ben tot op de draad versleten. Ik heb geen geld. Als ik in jouw afwezigheid kom te sterven, kijk dan bovenop de kleerkast: er ligt wat geld in een omslag voor mijn lijkkist. Jonathan Goed. Goed. Drink. (Zij haalt een pakje uit haar zak te voorschijn, in geschenkverpakking.)

Alice Hier, je hebt het mij cadeau gedaan, twee jaar geleden. Ik kan er niets mee aanvangen. Mensen zoals wij hebben dat niet vandoen. (Een poos.)

Jonathan Rust wat, je bent vermoeid. Deze dag heeft jou veel emoties bezorgd. Het zal nooit meer oorlog zijn. De arbeidersklasse is op haar hoede, wees daar maar zeker van. Alice Herinner je je die lange oorlogsnachten, toen de vliegtuigen vuur spuwden in de hemel? We sprongen halfnaakt en hals over kop in de schuilkelders, net muizen, en je verborg je tussen mijn benen.

Jonathan Kijk wat er gaande is in Empyrex: dat is een hoopgevend teken. Alice Je brengt het gesprek op een zijspoor. Jonathan Ook mijn vader was militant. Dat heb ik daarstraks vernomen. De arbeiders groetten ook de zoon van vadertje Busiaux. Het is normaal dat de zoon de fakkel overneemt. Alice Je bent geen arbeider. Jou hebben ze niet nodig. Je bent een leraar, en je respecteert jezelf niet. Je kleren hebben hun beste tijd gehad. En ik die jou kleedde als een prins. Je was mijn trots. En je leerlingen, terwijl je aan politiek doet, wie houdt zich met hen bezig? Ze dweilen de straten af zeker? Ooit zet men je nog op straat. Wat zal je eraan verdiend hebben? Moeilijkheden. Je vader zal je gewaarschuwd hebben. Je hebt natuurlijk nooit naar je vader geluisterd. Het is net of hij nooit bestaan heeft. Was hij een slechte vader geweest, dan zou ik dat begrijpen. Er zijn al bij al onwaardige vaders bij de armen zowel als bij de rijken. Maar hij! (Ze gaat buiten.)

Jonathan Het conflict is de 11e losgebarsten, om 15 uur, toen de arbeiders geweigerd hebben te gehoorzamen aan de orders van de ploegbaas, op de afdeling werktuigmachines. Notarisvrouw Ze zullen je nogal toejuichen, Jonathan! Je zal ze verleiden, jij, de man van de harde actie. Hosanna. Hij is terug! Strooi palmtakken voor zijn voeten. Je stem zal weerklinken zoals vroeger. (Men hoort Jonathan zingen zoals in het eerste tafereel.) Notarisvrouw Je kan natuurlijk succes



nastreven in die nepmeetings. Je moet je op je gemak voelen, jij, de man met de gouden stem, in die betogingen, in die lompenopera's waar de ruiten naarstig sneuvelen. De belangen van het volk, geef toe dat je er geen zier om geeft. Je bezit het revolutionaire geduld niet, je bloed is te onstuimig.

Jonathan (Tikkend.) Men moet weten dat het Empyrexbedrijf waarvan het kapitaal verbonden is met dat van de multinational B.K. ... Notarisvrouw Geef toe aan je verlangens, je hebt niemand nodig. Je moet onmiddellijk kunnen leven. Ja, voeg je bij de rangen van het volk, neem deel aan zijn feesten, maar verwijder je van zodra de vreugde koelt. Jonathan Onmiddellijk heeft de syndicaal afgevaardigde de eisen ondersteund... Notarisvrouw Zing, Jonathan, zing zoals vroeger, toen de aarde nog te groot voor je was, toen de nacht inviel op je huis zoals de plank neerklapt op de waterput. Ik ben je echte moeder, Jonathan. Ik ben het die jou uit de modder gehaald heeft door het prestige van mijn blik, van mijn lichaam, van mijn kledij. Nooit zal je mij vergeten. En de anderen zijn slechts stille getuigen van mijn rijk. Je bent geen arbeider. Je bedriegt het volk, en het volk laat zich niet vangen. Voortaan ben ik in alle vrouwen, en alle vrouwen zullen in mij zijn. Droom, Jonathan, droom: het is door je dromen dat je geworden bent wat je bent. Je hebt zoveel gedroomd toen ik 's nachts bij je kwam. Ik daal weer af uit de toren zonder misprijzen, en ik zal onder je voeten lopen, nederig en berouwvol. Hij luistert niet meer naar mij. Kom tot mij, kleine Jonathan. Jij kleine Jonathan, naakt in je deken, die de trappen besteeg van mijn rijk, kom terug, verstik hem in de plooien van je mantel: het is een monster van hoogmoed, van wreedheid, van perversie. En jij, kleine Jonathan de wreker, tot de tanden gewapend, hij is jou vergeten. Dood hem! Hij moest de wereld doen opspringen in een vreugdekreet. In plaats daarvan, compromitteert hij zich met de gladgeschoren bazen van het volk. Neen Jonathan, ga niet weg; vergeef mij, blijf bij mij. Je hebt het gehaald. En dat men je niet meer komt lastig vallen met het lijk van je vader.

Jonathan Men begraaft slechts wie geleefd heeft. Alice (Komt terug binnen.) Spreek je tegen jezelf tegenwoordig? Jonathan Neen, ik neuriede maar iets. Alice Je zingt zoals vroeger. Zie je wel dat men nog gelukkig kan zijn in het huis van zijn jeugd? (Ze gaat buiten. Jonathan zingt.) Notarisvrouw Moge het lijk van je vader samen met de herten opdrogen in de bijgebouwen van mijn kasteel, tot het einde der tijden. (Men hoort de lange klacht van de vader. Jonathan stopt met zingen. Begint dan opnieuw.) Notarisvrouw Nu is zijn lijk droog en broos. Jonathan Laat hem terugkomen! Notarisvrouw De tand des tijds heeft zijn werk gedaan. De touwen van de dood hebben hem in de aarde neergelaten, en het witte stof van zijn lichaamsresten zal nu niemands ogen meer verblinden.

Het lange geweeklaag van de vader zwelt nu aan over de scène. Stilte. Jonathan draait zich om. Grégoire staat op de dorpel in een zwart pak, wit hemd, grijze das, de handen voor zich gekruist, samengehouden door een rozenkrans.

DOEK

TWAALFDE TAFEREEL

In de keuken.

Jonathan Waar kunnen we elkaar ontmoeten? Waar spreken we af? Na tien jaar afwezigheid. Ik had liever gehad dat we elkaar tegenkwamen

ergens op straat. In de menigte waar ik de gezichten nauwlettend had bespied. "Hij zal langskomen, langzaam. Om de twintig meter staat hij stil. Hij snakt naar adem. Hij komt weer op adem." Ik zou je gezien hebben. Misschien komt hij mij opwachten aan de school. Neen, hij zal vrezen dat hij mij stoort indien ik buitenkwam in gesprek met een collega. Bij mij thuis? Hij kwam zo zelden, de laatste tijd.

Grégoire Had je schrik dat je me niet meer zou herkennen?

Jonathan Ik heb de indruk dat we elkaar niet gekend hebben. "Onmogelijk! Een zoon vergeet zijn vader niet. Het is een nachtmerrie." Nou goed, we vinden elkaar hier terug, in jouw huis. Ik heb je stap gehoord. Ik heb geen ogenblik getwijfeld. "Hij is het." Grégoire Gelaatstrekken vergeet men na zoveel jaren.

Alice De laatste keer dat je hem gezien hebt, en dat hij nog goed was, dat was bij jou thuis. Jonathan Ik had hem naar een dokter gebracht die ik kende, voor alle zekerheid. Wij stapten op de stoep. Langzaam, zij aan zij. Zijn lippen waren reeds blauw. Grégoire Is er niemand? Jonathan Wij zijn alleen. Niemand kijkt naar ons. Voor een keer zijn we alleen. Ze hebben zoveel naar ons gekeken. "Hoe zal hij gekleed zijn?" Ik heb nooit geweten hoe ik mij moest kleden. Jaren aan een stuk, met feestdagen of in de rouw, heb ik het pak aangetrokken van iemand die ik niet was. Die manie om zich in de spiegel te bekijken, in de uitstalramen, zoals de Afrikaanse uitwijkelingen of de Sicilianen zonder zon.

Alice Hij was zo netjes, 's zondags. Jonathan Meer dan één arbeider die ik ken scheldt zijn vrouw uit als zijn broek slecht gestreken is.

Grégoire Om mij heb je je nooit moeten schamen. Een net pak hebben, dat is belangrijk, hoor.

Alice Jullie waren beiden mijn trots.

Jonathan We zijn nette mensen.

Grégoire Was er iemand, dan zou hij ons mogen

zien.

Alice Het hemd is onberispelijk. Jonathan De das.

Grégoire De schoenen glimmend als een spiegel. Alice De haren netjes gekamd. Jonathan Ah, die haren, het loont de moeite om daarbij stil te staan. De mensen van het volk hebben, naar het schijnt, een kort en laag voorhoofd. Dat is genoegzaam bekend: zoiets kies je niet. De handen, de pen en de hamer boetseren de rest. Maar de haren, mijnheer, dat is een keuze. Daar wacht men je op. Het handjevol rosse, zwarte of blonde haren op de schedel, men is vrij ermee te doen wat men wil. Dus begint alles voor de spiegel. To be or not to be. Een scheiding of geen scheiding? Lang of kort? Naar voor, naar achter? De zoon van het volk stelt zich vragen. Cosmetica? Golvend? Gelakt? Geschoren? Who is who? De smaak, de goede of de slechte smaak, uw kam beste medeburger! Onder de tweehonderdduizend hoofden, herken je de arbeider aan zijn haardos. Het fatum! (Een poos. Flash-back van de dood van Grégoire.)

Jonathan De dokter heeft gezegd dat het al beter ging. Je moet moediger zijn. Komaan, kop op. De moed niet verliezen. Morgen kom ik je bezoeken.

Grégoire Ik word almaar zwakker, Jonathan-Het water is zeer hoog gestegen. Het is het einde. Jonathan Blijf niet aan de rand van je bed. Grégoire Het is het einde. Jonathan Hoe haal je dat in je hoofd? Grégoire Ga terug naar huis, Jonathan. Je gaat de trein missen. Laat je gezin niet op je wachten. Morgen gaat alles wel beter. Jonathan Als er iets gebeurt vannacht, aarzel

niet mij op te bellen.

Grégoire Ga gerust.

(Einde van de flash-back.)

Jonathan Ik had je in mijn armen kunnen

nemen, iets doen.

Grégoire Wie kan voorspellen dat een mens zal sterven de volgende nacht? Men heeft hoop. We dachten aan elkaar.

Jonathan We hebben het elkaar nooit gezegd. Grégoire Dat ligt niet in onze gewoontes. Jonathan Ik zal nooit begrijpen hoe we zo koeltjes afscheid genomen hebben. Grégoire Het is onze schuld niet. Jonathan Wij verbergen de waarheid voor elkaar. We hielden niet van elkaar: dat is alles. En vroeg of laat brengt onverschilligheid vergetelheid.

Alice Niet lasteren, Jonathan.

Jonathan Herinner je je nog zijn laatste nacht?

Alice Ja.

Jonathan Heeft hij jou geroepen? Alice Neen. Jonathan En mij?

Alice Vaak zei hij: "Ik heb lang geleefd als een beest. We hebben heel jong moeten beginnen werken. Overdag, 's avonds. Nooit een greintje tederheid, nooit een woord." Het was de hel. (De grootvader komt binnen.) Grootvader Je grootmoeder is aan tyfus overleden. Bij de buren was er water in de put, gefilterd water. Ze hebben er je grootmoeder geen willen geven. Ze is naar de bron gegaan. Alice De hel, Jonathan. De dag voordien had ze nog een pak rammel gekregen. Grootvader Alle vrouwen werden afgeranseld. (De grootvader gaat buiten.) Alice Op haar sterfbed droeg ze nog de sporen van beten.

Grégoire Die bladzijde is omgedraaid. Alice Hij heeft veel van jou gehouden. Jonathan Wanneer?

Alice Heel lang geleden, toen hij je leerde lopen op de grond. Er volgden mooie zomers, Jonathan. Voor jou heeft je vader de tijd van de beesten en de tijd van de beten kunnen vergeten. Hij droeg je op de schouders. Jonathan Op zijn schouders? Alice Hij liet je huppelen op zijn knieën. Hij sprak met jou in het donker. Je hebt niets te kort gehad.

Jonathan Ik herinner mij zijn lichaam niet meer.

Grégoire Weet je nog dat ik op de handen liep om jou aan het lachen te brengen? Ik zag je ondersteboven. Je was heel groot. (Ulysse komt binnen.)

Ulysse Hier hebt u enkele bloemen voor op het graf van uw vader.

Alice Leg ze op de grond: bloemen hebben koelte nodig.

Ulysse Weten jullie dat nog? Eén van de laatste dagen waar we met zijn allen samenwaren toen u inhuisde? Komt Jonathan daar zijn vader toch niet omhelzen zeker. En onze Grégoire die Jonathan van zich afschudt alsof die zijn vader wilde wurgen. Wat hebben we toen gelachen! (Ulysse gaat buiten. Lydie komt binnen.) Lydie Hier hebt u enkele bloemen voor op het graf van uw vader. Hij heeft u zo goed opgevoed. Soms was hij hard. Op zekere dag heb ik hem gezegd: "Laat hem toch niet op zijn knieën zitten op de kachelpook. Hij is zo jong. En de klompen zijn veel te zwaar voor zijn handen." (Lydie gaat buiten.) Grégoire Ik was je vader. Jonathan Wanneer heb je dat gevoeld, dat je mijn vader was?

Grégoire Toen je opgegroeid bent. Rondje twaalfde ging je naar school in de stad. De zomer eindigt in de maand september. Jonathan Een zoon vergeet zijn vader niet. Hij wijst naar zijn met rouw omrande foto op de schoorsteen en zegt: "Toen hij gestorven is ben ik alles verloren."



Grégoire Wie zegt je dat je mij vergeten bent, Jonathan?

Jonathan Zij. Ikzelf. Grégoire Jij ook? Onmogelijk. Jonathan Alles is nochtans normaal verlopen. Grégoire Ik heb altijd mijn plicht gedaan. Ik heb mij van alles voor jou ontzegd. Heel vlug dacht ik eerst aan jou, dan pas aan mezelf. Jonathan Ik heb je altijd gerespecteerd. Bij elke verjaardag wachtte ik je op onderaan de trap, met een geschenk in de handen. Ik was je zoon. Grégoire Je bent mijn zoon. Zie je, de hemel klaart reeds op.

Jonathan Ik was zelfs meer dan dat. Ik was de zoon van een arbeider. Dat herinner ik mij goed nu. Het is zelfs datgene dat ik mij het best herinner. Ik had evengoed je zoon kunnen zijn, kort en goed.

Grégoire De zoon van Grégoire. (Flash-back van de universitaire successen van Jonathan. Jonathan daalt gezwind de keldertrappen af.)

Jonathan Ik ben geslaagd, pa! Een keer, twee keer, zes, zeven, acht keer! Een grote onderscheiding. Ik heb een goeie gehoord: je bent een arbeider, jaja! En ik een arbeiderszoon. (Jonathan zet zijn vaders pet op en begint de kolen om te roeren - zie het zevende tafereel. Grégoire gaat zitten boven op de trappen.) Grégoire Dat komt goed uit. Ook ik ben een arbeiderszoon; daar had ik nooit eerder aan gedacht. We zullen met mekaar kunnen opschieten. (Ze lachen.) Jonathan (Alsof hij iemand ontmoet.) Goeiedag, mijnheer Grégoire, hoe maakt u het? Is dat uw zoon? Dat zou men niet zeggen! Maar inderdaad, hij gelijkt op u. Jonathan (Bootst Grégoire na.) Ja, m'neer en m'dame, het is mijn zoon. Pardon, mijn arbeiderszoon. Kijk hoe fijn zijn huid wel is. Eigenaardig, niet? Echt waar, hij is geboren in een bed zoals iedereen. Hij is niet ter wereld gekomen in een heiskraan of in een motor. En zijn handen? Normaal. Trouwens, handen zoals de mijne, dat verwerf je, dat boetseer je. Grégoire Een verstandig kereltje, koekegoed. Jonathan Arbeider is zijn vader. Maar dat is toch geen naam zeker. Heb je al iemand gezien die Stéphan Arbeider heette? Dit kind is naamloos. Hij is niemands zoon. Grégoire Men is niet de zoon van niets. Jonathan Dit kind is een zoon. Ergens moet hij wel een vader hebben.

Jonathan (Bootst Grégoire na.) Ik ben geboren als arbeider uit een arbeider. Dat wordt een lasser of een vuilnisman. Trouwens, daarover wordt niet gesproken. Hij is twaalf jaar, hij leert een beroep aan. Hij is nooit de zoon van ... geweest. Maar die kleine daar, wie is zijn vader? Mijnheer de graaf? De leraar die hij verkiest? Stilte, Grégoire, geen vragen: breng dat kind met de fijne huid niet in verwarring. Ik ben ervan overtuigd dat zijn echte vader verdwaald is in een storm. Ofwel is hij poen aan het scheppen ergens in de kolonies. Ik heb dit kind aangenomen, maar zijn vader zal binnenkort terugkomen. Misschien lijdt hij aan geheugenverlies? Neen, hij is gevangen genomen door de rebellen! Hij zal komen. Daar is uw zoon. Heb ik goed gewerkt? Het is ook een beetje mijn kind, niet? Hij komt vanavond, nietwaar, wanneer ik bij de oudjes zal zijn? (Jonathan haalt de bokaal vanonder de kolen.) Dank u wel voor de fles op de grond. Ik had wel gesnapt dat ze van u kwam. Voor het ogenblik is hij eenvoudig gekleed, maar zijn vader zal terugkomen uit de kolonies met volle koffers. Dan zal het kind uitgedost worden zoals in begoede families. (Jonathan doet zijn pet af.) De bokaal is leeg. (Hij wil hem kapotgooien.) Grégoire Let op, je zal die moeten vullen voor je kinderen.

(Einde van de flash-back. Een zaal in de fabriek Empyrex. Een prikbord vol met

telegrammen, met moties. Leuzen, spandoeken. Een bank.)

Jonathan Je had me over jezelf kunnen spreken. Een arbeiderszoon, ik wist wat dat was. Maar een arbeider?

Grégoire Doe niet zo stom. Iedereen weet wat we zijn. Ze kennen onze tapijten met bloemmotieven, onze vogels in aardewerk, onze slechte schilderijen, onze kipperennen. Iedereen spreekt erover. Ze beklagen ons, ze haten ons. Dat weet je heel goed.

Jonathan Je sprak me nooit over jouw beroep. Grégoire Ik heb je mijn mijnwerkerslamp gegeven.

Jonathan Ik heb nooit je mijn gezien. Grégoire Wij verbergen dat allemaal voor onze kinderen, dat is normaal.

Jonathan Alles doen om niet te worden zoals jij. (Flash-back van de koningskwestie, 1950. In Alices tuintje, 26 jaar vroeger. Een zomermorgen. Alice en Lydie hangen de was uit.)

Alice Wat een mooie dag. Halfweg de eeuw, halfweg het jaar, halfweg de dag. De koning is afgetreden. Het hele land heeft gebeefd. Met tienen op een rij zijn de arbeiders door de straten opgestapt.

Lydie Het koninklijk paleis werd bijna

opgeblazen. De schande is witgewassen. (Men

hoort mannen lachen.)

Alice De mannen zijn opgetogen.

Lydie Hun woede is niet helemaal uitgedoofd.

Alice Er zijn nogal wat sabotages gepleegd. De

rails vlogen omhoog als strohalmen.

Jonathan Wat is er gebeurd?

Lydie De rijkswachters hebben geschoten in

Grace-Berleur. Drie arbeiders zijn omgekomen

in volle zon.

Alice Studeren, Jonathan. Geen vragen stellen. (Tot Lydie.) Gewoonlijk steekt Grégoire een handje toe bij de was.

Lydie Wat bent u mooi in de zon. Zo heb ik u nog nooit eerder gezien.

Alice De oorlog is voorbij. De mooie jaren zijn aangebroken.

Lydie We hebben een nieuwe koning. Alice Wel wat jong om dat beroep uit te oefenen.

Jonathan Waarom is er een nieuwe koning? Notarisvrouw De koning is dood. Leve de koning!

Alice De mannen zijn laat thuisgekomen deze morgen; ze hebben gedronken. Lydie Je zou je afvragen wat ze uitspoken. Alice Ze laten ontstekers uit de kolenmijn ontploffen om zich te vermaken. Die welke niet gediend hebben bij de sabotages. Jonathan Ik zou bij hen willen zijn. Alice Naar je kamer jij. Je hebt een overgangsexamen.

Notarisvrouw Het zullen altijd grote kinderen zijn. Jij zult een man worden. Laat ze van hun overwinninkje genieten: prinsen zijn eeuwig. Mannen, je zal er nog genoeg leren kennen. Wanneer je zal rondreizen in gezelschap van de mannen van dit land. Neem geen vrede met de laag-bij-de-grondse spelletjes. Kijk uit vanop je balkon. Op een dag zal je spreken. (Vanachter de was duiken Grégoire en mijnwerkers op, met ontbloot bovenlijf. Ze laten ontstekers ontploffen. Achtervolging.) Alice Help! Lydie Onze was!

Grégoire We zijn het land aan het witwassen. Jonathan Wat zijn ze grappig. Ze lijken een gemeenschappelijk doelwit te hebben. Ik wil met jullie leven. Ik wil loodgieter worden. Notarisvrouw Blijf in de schaduw. De zon komt de huid van de meesters niet ten goede. (Einde van de flash-back.) Grégoire Je was zo jong toen. Jonathan Dat is geen antwoord. Grégoire Jou meesleuren door de straten zou gevaarlijk geweest zijn.

Jonathan Ja. Dat heb ik vernomen uit de boeken. Later. Maar het was niet gevaarlijk voetzoekers rond te strooien in de zon. Grégoire Toen je arbeiderszoon werd, wist ik dat ik een arbeider was. Ik had dat uit jouw mond vernomen. Onmogelijk er nog aan te ontkomen. Ik stond op, ging naar beneden in de keuken, ik zag je zitten, gebogen over je boeken. Krak! Toen zei ik tegen mezelf: "Opgelet, Grégoire, je bent een arbeider." Soms, in een vreemde stad, de handen verborgen achter mijn rug, had ik voor iemand anders kunnen doorgaan. "Nou, mijnheer, ik had u verward met..." Bij jou, in de keuken, was dat onmogelijk. Hoe meer je studeerde, hoe meer ik mij arbeider voelde. Geen sprake van om nog langer verstoppertje te spelen. Jonathan Om op de handen te lopen. (Een poos.)

Jonathan Toen je mijn huistaken ondertekende?

Grégoire Wat schrijft hij toch mooi. Al die

mooie woorden. En de gedichten die hij

voordraagt op zijn kamer. Zelfs als hij tegen

zichzelf spreekt, spreekt hij mooi.

Jonathan Praatte ik bij mezelf?

Grégoire Uren aan een stuk. Ik luisterde. Jouw

stem.

Jonathan Dat herinner ik me ook: plots kon ik niets meer met mijn handen aanvangen. Grégoire En je ogen... Ik keek mezelf aan in de spiegel, ik had twee ogen. Mijn kameraden ook, natuurlijk. Jij had iets méér. Een blik. Nietwaar? Wij hebben geen blik. Jonathan (Tikkend op zijn schrijfmachine.) Vermits de toestand van jullie onderneming almaar bedreigder wordt, werd er een steuncomité op de been gebracht in het zuiden van de provincie. Er zullen verscheidene afvaardigingen gestuurd worden in de komende dagen. Een strijdfonds werd aangelegd waarvan de eerste bedragen aangebracht zullen worden door kameraad Jonathan Busiaux... Grégoire Laten de arbeiders jou hier binnen? Jonathan Ja.

Grégoire Kijken hun ogen niet opzij als je aan het spreken bent? Jonathan Neen.

Grégoire Betuigen jullie vaak jullie solidariteit met de werkers, jullie intellectuelen? Jonathan Wanneer het mogelijk is. Grégoire Goed zo. Jonathan Als je wil.

Grégoire Zie je, ik heb het je altijd gezegd: "Jonathan, doe niet aan politiek. Arbeiders zijn ondankbaar. Zij wantrouwen jullie, jullie mooie maniertjes, jullie manier van spreken." En zeggen dat, wanneer ik je verlaten heb, je een beloftevolle leraar was. (Flash-back van het oudercontact: de voorbereiding van Jonathan. Alice, Suzanne, de notarisvrouw.) Suzanne (Roepend.) Jonathan, het is tijd! (Jonathan verschijnt als een perfecte leraar uitgedost.)

Suzanne Wat ben je mooi. Laat mij jou bekijken.

Alice Je vader zou trots zijn als hij je zag. Eén jaar reeds, dat hij ons heeft verlaten. Suzanne Vergeet je jas niet dicht te knopen. Je directeur zal je geen opmerkingen moeten maken. Alice Geen enkel vlekje. Suzanne Je gelijkt tenminste niet op sommige van je collega's die naar school gaan alsof ze in de tuin gingen werken. Wees goed. Het is zijn eerste oudercontact.

Notarisvrouw Je bent een leidersfiguur. De broodjes zijn gebakken. Zij die wisten weten. Zij die niet wisten zullen nooit iets weten; men kan hun niets leren. Je adem ruikt fris. Je zakdoek is proper. Je boekentas geboend: een juweeltje. Je puntenboekje? Ja. Vervaarlijk leraarsboekje, hoeveel vreugdes, hoeveel traantjes stellen die kolommetjes niet voor! Eenvoudige rekenkunde: de Rubicon van de



kennis, vae victis! Ga, grote bezorger van

mensendauw, jij weet! (Een bord zakt naar

beneden in de fabriek Empyrex. Een bureau.

Flash-back: vervolg. Bezoek van de ouders.)

Jonathan Is er veel volk?

Moeder van een leerling De gang zit vol,

mijnheer.

Jonathan Ongeruste ouders wachten tot de deur opengaat, zittend, de handen op de knieën. Grégoire Men wacht op jou als op een dokter. Moeder van een leerling Mijnheer de ik ben u komen opzoeken.

Jonathan U verwacht dat ik u de hand reik, nietwaar? Ik zie dat aan uw hand; die is opgeplooid als een gewonde vleugel aan uw borst. Ik ben leraar, u niet. Ik heb moeite om iedere maand rond te komen, maar u wordt niet verondersteld dat te weten: spijtig. Tot daar aan toe. Ziehier mijn hand. Onder volksmensen... Moeder van een leerling Uw hand is zacht, en rein. (Zij gaan zitten.)

Jonathan Eerst en vooral, kijk toe hoe ik deze kleine, ogenschijnlijk gouden, balpen hanteer. Hij dwarrelt. Precies een veertje. Het gaat dus om uw zoon Eric. Ik zie het al. (Tot Grégoire.) Een vogel voor de kat, maar ik kan het haar niet zeggen. Er zijn drie kinderen. De vader klopt zoveel mogelijk overuren. Er zijn niet eens drie slechte boeken in het huis. Eric is charmant: hij kijkt mij aan als een vis op het droge. (Tot de moeder.) Ik mag niet zeggen dat ik niet tevreden ben over hem. Ik moet bekennen dat hij bij mij heel sympathiek overkomt. Zijn vader is arbeider. Zoals mijn vader. Een jaar geleden is hij gestorven. Toen hij mij ontvallen is, was ik alles kwijt. Merkt u niets op? Mijn bureau. Eenvoudig, duidelijk geen vakmanswerk, maar het is een bureau. Hier zijn de sleutels. En mijn diplomatentas? Wij zijn diplomaten. Moeder van een leerling Zijn vader is niet kunnen komen. Hij werkt 's zaterdags. Jonathan Ik hou heel veel van Eric. Moeder van een leerling U bent de leraar die hij verkiest.

Jonathan Ik heb nogal contact met mijn leerlingen. Maar de ijzeren vuist in de fluwelen...

Grégoire Uitstekend.

Jonathan Hij is wel opgevoed.

Moeder van een leerling We doen wat we

kunnen.

Jonathan Laat hem niet optrekken met om het even wie.

Grégoire Wat doet hij als hij 's avonds thuiskomt?

Jonathan Ja, als hij van de les terugkomt, hoe gedraagt hij zich?

Moeder van een leerling Eerst zijn huistaken. Daarna spelen. Grégoire Uitstekend.

Jonathan Merk op dat ik onmiddellijk geraden had dat hij een arbeiderskind was, een verdienstelijk kind, met een handicap. De tanden een weinig verwaarloosd, iets zwijgzaams als men hem ondervraagt. Het spijtige, ziet u, is dat hij nooit zijn vinger opsteekt. Moeder van een leerling Hij is nogal verlegen. Jonathan Ik ging het u zeggen. Grégoire Dat is vervelend. Jonathan Zijn taalkennis blijft nogal ondermaats. Zijn punten spreken boekdelen. Twee... nul... drie... Ik lieg u niets voor. Moeder van een leerling Ik heb vertrouwen in u. Jonathan Hoe mooi is de Franse taal. Hij moet vooral lezen, lezen...

Moeder van een leerling Het is een luierik. Jonathan Dat mag u nooit zeggen, mevrouw. Leerlingen zijn niet lui. Een boek lezen, dat wil zeggen converseren met de grote geesten. Hebt u een woordenboek?

Moeder van een leerling Een kleintje. Jonathan Ah, de woorden... Hij moet lezen, het woordenboek verslinden. "Le Bon Usage". Spreekt hij met zijn vader?

Moeder van een leerling Hij is er niet vaak.

Mijn zoon zit dikwijls alleen, achterin de tuin

kijkt hij dan naar de vogels.

Jonathan Asociaal. Maar misschien heeft hij

belangstelling voor natuurwetenschappen?

Heeft hij een kamer?

Moeder van een leerling De centrale

verwarming, mijnheer...

Jonathan Niet te veel t.v. Opgelet voor de

vitamines; dat is goed hoor, 's winters. Voor de

puberteit.

Moeder van een leerling Ik leg te veel beslag op uw tijd. Maar ik vraag u iets te willen doen. Zijn vader is heel streng. Hij zal nooit aanvaarden dat zijn zoon moet overzitten. Slagen, of anders de fabriek in. Help mij. Ik sta er alleen voor. Jonathan Raak mij niet aan. U zal mijn pak verkreukelen.

Moeder van een leerling Doet u toch iets. (Zij gaat buiten.)

Grégoire Wat word je gerespecteerd. Leuk hier, lekker warm. Je hebt vakantie, een vast inkomen. Je kan de arbeidende klasse helpen. Jonathan (Zingt.) Ik ben de redder. / Neem jullie klasagenda. / De renaissance is een keerpunt in de Westerse beschaving. / Hosanna! (Een geldinzameling. Opnieuw in het decor van Empyrex. Jonathan legt een dikke omslag op tafel.)

Jonathan Dit geld werd rondgehaald bij de leerkrachten voor Empyrex. (Hij haalt er een bundel bankbriefjes uit van twintig frank.)

Grégoire Twintig frank geven, dat is toch niet veel voor een leraar, niet? Jonathan Ten opzichte van diegenen die niets geven is dat veel.

Grégoire Zijn er veel die niets geven? Jonathan Ze geven niets: zij willen niet lezen. (Toont een petitielijst, voorafgegaan door een stuk tekst.)

Jonathan Als men geld vraagt, is het ook om te lezen: "Het provinciaal steuncomité Zuid doet een omhaling in de onderwijssector om zijn solidariteit te betuigen met de werkers van Empyrex die zopas de bedrijfslokalen bezet hebben ten teken van protest tegen de multinational B.K...." Zij lezen dat, dan geven zij. Zoniet, dan is het alsof zij een biljet kochten voor één van die kleine tombola's... Grégoire Zij die niets geven hebben schrik om aan politiek te doen in hun school. Jonathan Ja.

Grégoire Ze hebben gelijk. Ze zullen nooit problemen krijgen.

Jonathan Daarnet leek je het eigenaardig te vinden dat zij niets gaven. Grégoire Ik? Jonathan Ja.

Grégoire Al bij al, een beetje geld geven, dat is niet aan politiek doen. Het is zelfs sympathiek vanwege mensen zoals jij. Men kan zomaar iets geven.

Jonathan En de ogen sluiten?

Grégoire Je hebt gelijk, dat zou niet ernstig

zijn.

Jonathan Je moet het hun niet kwalijk nemen. Ze zijn arm getrouwd. Ze werken overdag, ze werken 's avonds. Ze spreken veel over vakantie. Ze hebben een net huis. Sommigen beginnen later te drinken. "Het haalt niets uit iets te geven, zeggen ze, trouwens de arbeiders hebben het goed." Zij spreken over het verleden, over de toekomst, maar ze leven in het heden. Wanneer de leerlingen bij hen toekomen, zijn ze twaalf, vrolijk, en ze lachen; ze komen van de velden, van de terrils, van de parken, van de stukken braakland. Ze zijn levendig. Eén jaar later zijn velen droevig. Ze zijn mislukt. Zij weten dat zij nooit zullen zijn wat men heren noemt. Ze zijn naar school gekomen om het te leren en om het hun leven lang niet te vergeten. De meeste leerlingen en leraars zijn arbeiderskinderen.

Grégoire Heb jij de eerste keer dat men je een lijst voorlegde iets gegeven? Jonathan Neen. Grégoire Zie je wel.

Jonathan Ik was leraar. Ik ontving ouders. Ik had mijn verantwoordelijkheden. Grégoire Je was gehuwd. Jonathan Ja, met van alles. Ik ging om met voorname mensen. (Sequens. Jonathan herneemt de laatste noten van het lied dat het einde inluidde van het oudercontact. Dan volgt een wals. Flash-back van het bal, bij de notarisvrouw. Jonathan danst met haar. Suzanne danst met Eugène. Men kan een duo opzetten tussen Jonathan en de notarisvrouw. Elementen van een receptie.) Notarisvrouw U danst goed, Jonathan. Waar hebt u dat walserstalent vandaan? Suzanne Mijn man kan alles. Jonathan Mijn leven is een gave. Notarisvrouw U bent een hele man geworden. Alice Zij wonen in een van uw huizen, met glasramen en een balkon. Notarisvrouw Wat ben ik gelukkig! Leve het leven! Leve de minuut die we beleven. Laten wij drinken, vrienden, en eten. Alles staat gereed. Grégoire Mijn kinderen zijn geslaagd in het leven.

Notarisvrouw Deze avond ben ik er voor jullie.

Veel plezier. De punch is verrukkelijk.

Eugène Barst. (Sequens geldomhaling: vervolg.)

Grégoire (Telt de briefjes van twintig.)...

tweeëndertig, drieëndertig, vierendertig die

twintig frank gegeven hebben. (Jonathan neemt

de briefjes van twintig.)

Grégoire Vierendertig maal twintig.

Zeshonderdtachtig frank. Dat is al een mooi

sommetje.

Jonathan (Kijkend naar de lijst.) Nou, zelfs Durieu heeft twintig frank gegeven. Goed, goed. Grégoire Ken je hem? Jonathan Hij is aangesloten bij de vakbond maar komt niet naar de vergaderingen. Hij zegt: "Franco is een smeerlap." Hij zegt: "Schrijven is schrijven." De schrijver is heilig. Het wordt hem door de hemel ingegeven. En de hemel is noch rechts noch links. Hij kaft nauwgezet zijn schoolboeken zoals toen hij nog scholier was. Hij zegt na wat men hem voorgezegd heeft. Tot de leerlingen zegt hij: "Ik weet het. Jullie weten niets. Luistert dus."

Grégoire Twintig frank, dat is niet veel, maar ten slotte geven ze dan toch iets. Het is beter dan diegenen die niets geven en niet lezen. Twintig frank, daar krijg je bijna twee pinten voor, een brood.

Jonathan Je hebt gelijk, men moet twintig frank geven voor de arbeiders. Vader was er één. Ze gaan hem elke zondag opzoeken en gaan met hem soms naar de voetbalwedstrijd. Het is hun goed recht. Ze trouwen in de kerk om iemand plezier te doen.

Grégoire Het zijn goede kinderen. Jonathan Ook ik ben op zekere dag begonnen met twintig frank te geven. (Flash-back van het bal: vervolg. Dans. Een jonge arbeider komt binnen: Henri.)

Notarisvrouw Wie bent u? Uw gelaatstrekken zijn zo streng.

Henri Ik ben een oud-leerling van mijnheer. Een oud-leerling die arbeider geworden is. Notarisvrouw Waarom niet? Er bestaan geen gekke beroepen. Kom binnen. (Zij roept.) Jonathan!

Henri (Groet Jonathan.) Ik begroet in u mijn oud-leraar,

Notarisvrouw De leraar en de leerling. (De anderen dansen, behalve Jonathan en Henri die gaan zitten.)

Jonathan Laten we gaan zitten. (Een poos.) Jonathan Wat gaat de tijd toch snel. Notarisvrouw (Houdt op te dansen met Eugène.) Niemand heeft ons aan elkaar voorgesteld!



Eugène Vergilius, Lodewijk XIV, Demosthenes.

Houdt u van de paso doble? Maestro! (Ze

dansen een paso doble.)

Jonathan (Tot Henri.) Het doet plezier weer bij

elkaar te zijn.

Henri Anciens ondereen.

Jonathan Al bij al was u nog zo'n slechte kerel

niet.

Henri Herinnert u zich mijn sterke

persoonlijkheid?

Jonathan Nogal traag.

Notarisvrouw Ieder zijn ritme.

Jonathan Waarom zoekt u mij weer op? Wat

heb ik u gedaan?

Notarisvrouw Dans dan toch samen. Toe, doe

mij een genoegen. Jullie zijn mijn gasten.

(Jonathan en Henri dansen.)

Henri Wees maar niet bang. Ik heb mij

gewassen voor ik kwam.

Notarisvrouw Wat een prachtige avond!

Niemand kan beter dan wij het jonge volkje

ontvangen.

Jonathan Toen u bij mij kwam, had ik er drie jaar les op zitten. Ik heb u nauwelijks een jaar gehad. Dat is vier jaar geleden. Telkens als ik u op straat ontmoet, stapt u van de stoep af en steekt u de straat over, met open ogen, wachtend op mijn handdruk. Dat begrijp ik niet.

Henri U hebt nooit misprijzen voor mij getoond.

Jonathan Dat heb ik voor niemand. Alice Arbeiders misprijzen geen arbeiders. Notarisvrouw Haal eens wat herinneringen boven. Ik herinner mij niets meer. Henri U bleef staan ter hoogte van mijn bank. Een schouderklopje, de handen in het haar. Zonder dubbelzinnigheid, hoor! Dat ben ik nooit vergeten.

Grégoire Hij heeft gelijk. Wij zijn gevoelig voor

tederheid. Wij zijn geen honden. (Sequens

geldomhaling: vervolg.)

Grégoire Wat scheelt er? (Jonathan opent een

omslag en toont de bankbiljetten.)

Grégoire Honderd frank! (Hij telt de

bankbiljetten.)

Jonathan Het zijn mannen van links. Zij gaan om zo te zeggen naar alle vergaderingen. Zij spreken met hun leerlingen over Salvador Allende. Sommigen komen als afgevaardigden naar Empyrex.

Grégoire Ze zijn moedig. Honderd frank, dat is méér dan een gebaar. (Hij telt.) Zeventien, achttien,... Achttienhonderd frank. Jonathan Zij lijden eronder als ze de kinderen van de mijnwijk zien mislukken, maar ze spreken tot de kinderen in een taal die zij moeilijk begrijpen. Niemand beseft dat. Zij betuigen hun solidariteit met de arbeidersklasse. Maar de arbeiders zijn in stilte jaloers op de leerkrachten en de leerkrachten staan onverschillig tegenover het lot van de arbeiders. Tussen hen in staat er een muur die een leven lang meegaat.

Grégoire (Tellend.) Tweeduizend driehonderd. Dat is toch goed.

Jonathan Op de grote feestdagen van het jaar gaan zij hun ouders opzoeken die met pensioen zijn gegaan. Bepaalde gespreksonderwerpen worden angstvallig vermeden. Jullie komen zo zelden, zeggen de ouders; de kinderen zijn ondankbaar tegenwoordig. De tijden zijn veranderd, zeggen de jongeren. Er zijn ogenblikken waarop men elkaar niets te zeggen heeft. Maar de t.v. brengt redding. Opgelet! Uw kinderen groeien op, denk aan hun toekomst, aan hun opvoeding. U volgt al hun grilletjes in. Men moet natuurlijk bij een vakbond aangesloten zijn, je hebt gelijk, maar geen onvoorzichtigheden. Er worden herinneringen aan de oorlogen opgeroepen: de eerste, de tweede. Het is zeven uur. Nu al. Oom Alfred heeft kanker. Hij is ten dode opgeschreven. Ik hoop dat je naar zijn begrafenis komt. Tot ziens.

Tot over veertien dagen, ja, dan zien we elkaar terug.

Grégoire Ze zijn niet erg eerlijk met hun ouders. Ik hoop dat je toch nooit honderd frank gegeven hebt, Jonathan.

Jonathan Jawel. (Sequens van de receptie: vervolg.)

Notarisvrouw (Tot Eugène.) Wat is uw hand toch zacht.

Eugène Mijn handen hebben de heilige schriften uit de Oudheid aangeraakt. Ik kan het niet meer nalaten het papier aan te raken. Ik werk in het papieren geld.

Notarisvrouw Jandorie. Bankier! Eugène Mijn handen zijn bladerig als de bosjes van Vergilius. Een soepele, handige vinger. Bij de bank stellen mijn handen de klanten gerust. Dat zou nogal een gezicht zijn, eeltige handen die uw geld aan het tellen zijn. laat mij niet lachen! Mijn handen boezemen vertrouwen in, een ietwat schalkse onderwerping. De populaire "chic". Ik rook slechts sigarillo's. Maar ik ben de hele tijd al over mezelf bezig. Notarisvrouw Dat had u meteen moeten zeggen. (Zij biedt hem een sigaar aan.) Henri (Tot Jonathan.) Soms gaf u mij een knipoogje.

Jonathan We kwamen uit hetzelfde milieu.

Henri (Tot de notarisvrouw.) Wij zijn mensen

van het milieu, begrijpt u?

Notarisvrouw Hoe grappig.

Henri (Tot Jonathan.) Op zekere dag hebt u mij

bij de voornaam aangesproken.

Jonathan Hoe luidt die ook weer?

Henri Henri.

Grégoire Schud elkaar de hand. Henri Mijn puberteit is nogal lastig geweest. Eugène Ik heb heel vroeg een stijve gehad. Suzanne Eugène!

Alice Hij profiteert ervan dat zijn vader er niet bij is.

Notarisvrouw (Tot Eugène.) Raak mij niet aan.

Er zijn geen bedienden meer.

Eugène Komaan, geen kouwe drukte. (Eugène

troont de notarisvrouw mee.)

Jonathan (Tot Henri.) Ik heb gedaan wat ik

kon.

Henri Het laatste trimester, ben je vergeten mij te overhoren. Ik was trots. Ik zei bij mezelf: "Het is een kameraad, hij laat mij met rust. Wat spreekt hij toch goed." Je was ontketend. Iedereen had het voor jou, en voor enkele anderen. Drie maanden aan een stuk heb ik mijn mond niet opengedaan. Ah! Je nam ongehoorde risico's: weg met het kapitalisme! En in wat voor een taaltje deed je dat.

Notarisvrouw (Komt terug binnen.) Jonathan, u bent de enige bij wie ik mij goed voel. Jonathan Wees op uw hoede, ik ben een man van links.

Notarisvrouw Blijf het. Mijn kleren zijn overhoop gehaald. Ik denk dat men gepoogd heeft van mij te verkrachten. Jonathan Mijn lieveling. (Sequens geldomhaling: vervolg.) Jonathan (Toont vier biljetten van vijfhonderd frank.) Deze vier hier zijn mijn vrienden. Grégoire Vijfhonderd frank! Jonathan Als ze spreken staat hun blik op oneindig. Bij hen thuis hebben ze de meubels van plaats veranderd, bij hen thuis en op school. Ze zeggen: "Wij voeden de arbeidsverdeling. De arbeiders moeten dat weten. Zij tellen de woorden die elke leerling kent." Grégoire Daar kan je de tafel van een hele familie mee dekken.

Jonathan Ze hebben het druk. Ze zien hun familie niet meer. Hun familie is elders. Ze respecteren de feesten niet meer. Ze hebben hun eigen feesten. Hun kinderen zijn niet gedoopt. Zij halen gisteren en morgen door elkaar en hollen van de ene vergadering naar de andere. Ze zijn vermoeid. Een hondeleven, zeggen de ouders. Wat hebben we de hemel aangedaan?

(Flash-back: vervolg en einde.)

Jonathan Frans opstel was uw sterkste punt

niet.

Henri Ik had willen spreken over wat ik meemaakte.

Notarisvrouw U had moeten leren spelen op de grote orgels van de Westerse beschaving, de beste.

Henri De metser en zijn vrouw tellen hun spaarcenten op de hoek van de tafel. (De notarisvrouw lacht.)

Henri Ofwel: het pak van het jongetje wordt te

klein en de zoon van de buren is zo mooi

gekleed. (De notarisvrouw lacht nog harder.)

Jonathan Familiaar. Populair.

Henri Ik kweek twee konijnen voor Nieuwjaar,

met aardappelschillen.

Jonathan Anekdotisch.

Eugène Een beetje woordenschat, a.u.b., voor

de oudejaarsfeesten. Vergelijk kalkoen,

kalkoenhoen, parelhoen.

Henri We waren met dertien aan tafel om het

konijn op te eten, en dat brengt heus geen

narigheid.

Eugène Een ietsje subversie. Konijnhoen, koenijn, koehoen. (Allen in koor.) Jonathan Spreek mij over uw toekomst. Henri Was ik maar rijk. Jonathan Een mooie titel voor een opstel. Henri Spreek mij over de liefde. De toekomst, wat is dat voor iets?

Notarisvrouw Ik heb mij laten wijsmaken dat het altijd dezelfde is die de kop opeet van het konijn.

Henri Ik wilde dit zeggen: de dokter is geweest voor mijn grootvader. Zijn bezoek heeft drie minuten geduurd.

Jonathan Laten wij ons hoeden voor de clichés van het lager middelbaar. (De graaf komt binnen.)

Eugène Mijnheer de Graaf.

Jonathan Wat een vreugde u terug te zien.

Graaf We worden een dagje ouder, beste

vrienden.

Notarisvrouw We misten u, mijn beste. Graaf Ik ga de aalbessentaart halen. Notarisvrouw Mijnheer Grégoire, mag ik u ten dans uitnodigen? Binnenkort wordt de 200e verjaardag van de Franse Revolutie gevierd, ik zou het bal met u willen openen. Eugène Een tango! (De notarisvrouw danst met Grégoire.)

Eugène (Tot Jonathan.) Laten we weggaan. Notarisvrouw Wachten jullie niet op het nagerecht?

Henri en Eugène Kom met ons mee. Jonathan Ik kan niet.

Grégoire Geen politiek, Jonathan. Je zal jezelf alleen maar problemen op de hals halen. Notarisvrouw (Tot Grégoire.) U danst als een godheid.

Graaf (Komt terug binnen.) Een goede meester moet boven het gewoel uitstijgen. Noch rechts noch links.

Eugène Noch man noch vrouw.

Jonathan Ik heb alles gedaan om aan de ellende

te ontsnappen. En ik heb de eed afgelegd.

Graaf Hij heeft de dorpel van de Grote

Benoeming overschreden. Het Woord is vlees

geworden.

Notarisvrouw (Wijzend naar Eugène en Henri.) Dat zijn mislukkelingen, verdoemden. Grégoire U bent jaloers op het geluk van mijn zoon.

Graaf Zonder jou, mijn zoon, geen meegaand hulpje meer.

Eugène Kom met ons mee. Graaf Vader, mijn heilig woord tot de natie. Zelfs revolutionairen, de grote, zijn vaders van het volk.

Notarisvrouw Ik ging het net zeggen. Eugène Het proletariaat is niet de som van de arbeidende vadertjes. Graaf Sul.



Eugène Vergeet je vader om hem beter te leren kennen. Kom, je zal het gewicht der woorden leren, de syntaxis van de toorn. (Eugène en Henri gaan buiten.)

Graaf De aalbessentaart zal overblijven. (Einde van de flash-back.) (Sequens geldinzameling: laatste deel.) Jonathan De zoon zijn van een arbeider, van een enkele arbeider, dat volstaat niet. Het ontbreekt de kleine keukens aan verse lucht en de politieke optochten gaan niet langs vier muren beplakt met eentonige bloemen. Men moet de arbeiders leren kennen als ze met tweeduizend zijn, met tienduizend, met vijftigduizend. Op straat en op het plein. Onder de micro's, onder de straatkeien. (Jonathan haalt een briefje van vijfhonderd uit zijn brieventas en steekt het in de omslag.) Jonathan Men moet de zoon zijn van honderdduizend arbeiders om zich in één ervan als zoon te herkennen. De eerste keer dat ik een fikse som gegeven heb bij een geldinzameling, heb ik je foto gezien, en ik heb je gezicht omgedraaid naar het leer toe. Grégoire Waarom heb je dat gedaan? Jonathan Het scheen me toe dat je dat niet goedkeurde.

Grégoire Angst? Is dat de enige erfenis die we onze kinderen achterlaten? Men verdeelt geen twee levens, die van de vader en die van de zoon, alleen op basis van de angst. Jonathan Je hebt me steeds gezegd: "Jonathan, pas op..."

Grégoire Zich bezighouden met politiek en zijn job behouden, dat is te veel voor een enkele man.

Jonathan De kolenmijn waar je werkte werd

gesloten.

Grégoire Zwijg.

Jonathan Jaren later, hebben ze op dezelfde plaats een nieuwe fabriek neergepoot. Grégoire Des te beter. Mijnwerker, dat was geen goed beroep.

Jonathan Men heeft de fabriek gesloten.

Grégoire De nieuwe? (Jonathan knikt

instemmend.)

Grégoire Nu reeds.

Jonathan Het is krisis.

Grégoire Zoals in 35?

Jonathan Min of meer. Empyrex dreigt ook gesloten te worden.

Grégoire Maanden, jaren misschien zonder werk. Voor iedere dag werk hebben a.u.b. Dat was het wat ik voor jou verlangde. Een vaste betrekking voor Jonathan. Jonathan Er bestaan geen vaste betrekkingen. Minder dan ooit.

Grégoire We zullen er nogal tijd over gedaan hebben om te beseffen dat we twee werkers zijn. (Flash-back. Een klas. Een gang. Een emmer. Een bezem A

Jonathan (Op de trede.) Mijne heren, de "Misérables" van Victor Hugo hebben jullie kunnen ontroeren, het is daarom niet minder waar dat deze historische roman vergleden is van het terrein van de sociale analyse naar een morele wereld die in regressie is ten overstaan van een jeugdwerk zoals "Les Chouans" van Balzac... (Belgerinkel. Stemmen. Gestommel van leerlingen die buitengaan. Stilte. Een schoonmaakster poetst de gang. Grégoire, Alice, Eugène, Ulysse en Lydie komen binnen. Zij gaan in een rij staan tegen de muur en wachten.) Jonathan (Vanaf de trede.) Kom binnen. (Hij gaat naar de deur.)

Jonathan Kom binnen. Wij zijn werkers. Jullie zijn thuis.

Ulysse Wij zijn het gewoon, in de rij te staan. Lydie In de kliniek. Grégoire In het stempellokaal. Eugène In het leger. Weet je nog dat we aanschoven met ons flesje om erin te plassen? Grégoire Wanneer je mensen, mannen, vrouwen, in de rij ziet staan, dan mag je zeggen:

"Het zijn er."

Jonathan Aan de universiteit heb ik ook aangeschoven, bij de sociale dienst, toen ik beursstudent was. En ik ken collega's die aanschuiven aan de dop. Ulysse Zijn er leraars die gaan stempelen? Lydie Dat kan niet.

Jonathan Kom binnen. (Zij gaan de klas binnen.)

Grégoire Heb je hier iets te zeggen? Jonathan (Reikt hem een kaft aan.) Kijk. Eugène (Leest.) Nieuwe voorlopige instructies...

Jonathan Het zijn nieuwe bevelen.

Grégoire Van waar?

Jonathan Van hogerhand.

Grégoire Heb je er iets aan te zeggen gehad?

Jonathan Bevelen komen en gaan. Wij voeren

uit. Alles wordt geregeld buiten ons om.

Lydie Zoveel studies gedaan hebben.

Grégoire Wordt u betaald met een

loonstrookje?

Eugène Wat een vraag!

Grégoire Jaren aan een stuk hebben ze ons

gezegd: "Kijk hoe Grégoire en Jonathan op

elkaar gelijken: ze hebben dezelfde kin,

hetzelfde broze haar. Vader en zoon lijken op

mekaar." Ze hadden moeten zeggen: "Zij

wachten het einde van de maand af."

Ulysse Een frank opzij leggen, dat is niet

gemakkelijk.

Grégoire Het zijn twee loontrekkenden. Jonathan En jullie?

Grégoire Loon, dop, R. S. Z., vieze handen. Jonathan Op zekere dag, toen ik jouw arbeiderszoon was, heeft een leraar gezegd: "Het is eraan te zien dat u behoort tot de werkende klasse. U draagt daar, rond uw hals, één van die kleine halsdoekjes. Hoe gemeen is dat. U bent toch geen slagersjongen of arbeider naar ik weet?" Ik hield van de slagersjongen uit onze straat. Door de hele dag te peddelen vermoeide hij zich enorm. Hij droeg geen halsdoekje.

Grégoire Voelde je je vernederd?

Jonathan Arbeider zijn, dat betekent een

halsdoekje dragen, niet?

Lydie Soms worden we toch gekleineerd.

Eugène Neergeknuppeld.

Grégoire Neergekogeld. Maar jij, je kan nu

weerwraak nemen: de anderen op jouw beurt

vernederen.

Jonathan Elk ogenblik, zo je dat wil. Eugène (Roepend.) U bent een boerenkinkel! U kent geen Frans! Keer terug naar uw dorp! Grégoire (Tot de schoonmaakster.) Wanneer hij uit zijn klas komt, mevrouw, hoe stapt hij dan over de emmer?

Alice Veegt hij zijn voeten af aan de dweil om niet vuil te maken wat u reeds schoongemaakt hebt?

Schoonmaakster Altijd.

Grégoire Voelt u zich nooit gekleineerd door de

leraars?

Schoonmaakster Sommigen zijn trotser dan de anderen.

Alice Ik heb dat beroep twintig jaar lang gedaan

om je studies te bekostigen.

Grégoire Wij doen niet hetzelfde beroep.

Jonathan Ik ben een werker, geen arbeider.

Ulysse Wat bedoel je?

Grégoire Hij heeft vakantie.

Lydie Schone handen.

Eugène Ik ook.

Ulysse Hij is chiquer dan jij.

Alice En hij praat beter.

Jonathan De directie kan mij doen wachten, mij

het zwijgen opleggen.

Ulysse Hier is het nooit koud.

Jonathan (Slaat verscheidene keren de deur

dicht.) Mij doen zwijgen, mij doen buitengaan,

mij laten binnenkomen, opmerkingen maken,

mij laten...

Eugène Men vernedert hem.

Ulysse Men buit ons uit. Hij doet niets dan praten.

Jonathan Ik praat de hele tijd. Grégoire Wel, laat hem praten. Ik spreek te luid, ik spreek te zacht, ik spreek niet. Jonathan Als ik niet oplet, praat iemand anders in mijn plaats.

Grégoire Er zijn ook veel arbeiders die de mond openen, en het is een andere die in hun plaats spreekt.

Grégoire (Kijkt naar de geschiedeniskaarten.) Arbeider zijn, Jonathan, dat betekent tegen zichzelf zeggen: "Wat is er vóór mij geweest?" Jij weet dat. Wij weten dat niet. Ik heb altijd de indruk gehad dat ik de eerste was op aarde, dat het een grap was, de piramides, en al de rest. Dat jaagt je schrik aan, alleen te zijn, zelfs als men met miljoenen in hetzelfde schuitje zit. En zeggen dat wij alles maken: de banken, de borden, de tegels. Jonathan Met jullie handen. Grégoire De handen enerzijds, het hoofd anderzijds. Jij staat aan de kant van het hoofd. Jonathan Ze gebruiken je lichaam, ik kom het mijne vertonen, goed stijf. Grégoire Wat ons uiteindelijk verenigt, dat is dat we slechts helften zijn. Ulysse Dat is bekend. Grégoire Ja, maar hij, hij weet hoe de halsdoekjes groeien aan de nek van de arbeiders. Ulysse In de grond ben je zoals de stationschefs. Een fluitje hier, een fluitje daar. Wij, wij steken ons hoofd door de deur; we zijn onmiddellijk buiten. Eugène heeft een iets langer oponthoud gehad. Jij, jij bent enkele treden gestegen, maar dat dient onze zaak niet. Morgen, bij Empyrex, wanneer je de omslagen zult brengen, zullen ze zeggen: "Dank, jullie zijn lief. Jullie waren daartoe niet verplicht." Eugène We kunnen niets anders doen. Jonathan Enkele stenen van de muur afhalen om elkaar niet meer te moeten aankijken op de toppen van onze tenen. Ulysse Dat is waar. De dingen zijn veranderd. Toen ik klein was, heeft men van mij een foto genomen op school. Mijn kousen waren afgezakt en slodderden over mijn schoenen. De onderwijzer heeft mij zo laten fotograferen. Nog niet zo lang geleden heb ik kinderen zien fotograferen op de speelplaats van de school. Er was er één met een snotneus waarvan de haren danig in de war lagen. De onderwijzer heeft hem zijn neus laten snuiten en zijn haren gekamd. In de grond is een onderwijzer tegenwoordig een arbeider.

(Einde van de flash-back. Terug naar Empyrex.) Grégoire Ik heb mooie uren gesleten bij jou. Hoe laat is het? Jonathan Zes uur.

Grégoire Mooi uur om op te stappen. We moeten uitrusten.

Jonathan Ik ben gelukkig jou te hebben weergezien. De morgen breekt aan, de zon zal opstaan.

Grégoire Ja. Laat de vogels zingen. Laat ze ons een boom brengen. (Sequens.) Grégoire Ziehier mijn portefeuille. Houd hem. Je zal zien, het telegram zit erin dat je mij gestuurd hebt toen je geslaagd was in je studies. (Jonathan neemt de portefeuille aan.) Grégoire In een doos zal je mijn scheergerei vinden. In de kast op zolder zal je mijn knipzaag vinden, je weet wel, de zaag die ik kon wegmoffelen onder mijn mantel toen ik hout ging stelen 's winters, of wanneer ik mispels voor je meebracht. Wat is ons land toch mooi. Zeg mij iets. Het water is gestegen. De mijnwerkers zijn net zoals huizen: het water komt van langs onder. Het stijgt. Is er iemand? Jonathan Neen. Grégoire Zeker van? Jonathan Heb je het niet koud? Grégoire Een beetje, ja. Jonathan? Jonathan Ja.



Repetitiefoto 1978

Grégoire Ik heb geen geld. Jonathan Dat geeft toch niet. Grégoire Zeker van? Ik ben er niet trots op zo te moeten sterven. Ik heb er dan toch een beetje. Jonathan Je hebt mij alles gegeven. Grégoire Bijna, ja. Geef hun zolang u in leven bent. Ik denk dat de spade midden in de tuin is blijven staan. Haal haar binnen voor de winter, anders roest ze nog. (Een poos.) Ik had zo graag je kinderen gekend. Ik ben niet bang om weg te gaan. De aarde, dat kennen wij. Vanboven en vanonder. (Een poos.) Het wordt donker achter mijn leven.

Jonathan Het bloed! (Jonathan omarmt Grégoire en streelt zijn gezicht alsof hij het bloed afbet.)

Jonathan Het bloed dat vloeit over je gezicht. Misschien is het een bloedaandrang. Het is niet de eerste maal dat jou dat overkomt, het is niet ernstig. Ik breng je naar de kliniek. Ik zal je ondergoed, je pyjama achteraf komen brengen. De bezoeken zijn van drie tot vier. Je zal niet alleen zijn. Iedere dag kom ik je bezoeken. Het gaat wel voorbij. Het is loos alarm. Ziezo, er valt niets meer te bespeuren op je mond, op je lippen, op je ogen.

Grégoire Ik voel me beter. (Hij gaat zitten. Jonathan plaatst zich achter hem.) Grégoire We reden door de velden. We reden samen, Jonathan, op de fiets, ik op het grote zadel, jij achterop. Ik voelde je armen mijn lichaam omknellen. Ik hoorde je praten, lachen, zingen. Ik zei bij mezelf: "Grégoire, peddel op aarde. Als je kon peddelen door de hemel, zoals in de kinderverhalen, zou je hem alles laten zien, jijzelf. Het is je zoon. Besef je dat. Je zal de wereld laten zien aan een nieuw menselijk wezen. Zijn leven zal aanzienlijk mooier zijn dan het jouwe." (Grégoire neemt Jonathans armen vast en legt ze rond zijn hals.) Grégoire Ah, een zoon hebben! (Hij sluit de

ogen. Einde van de "tweede dood van Grégoire". Hier eindigt het twaalfde tafereel en het morgenrood maakt een einde aan de terugkeer van de vader.)

DOEK

DERTIENDE TAFEREEL

In de keuken van Alice. De platendraaier speelt

zacht een operette.

Ulysse U ziet er tevreden uit.

Alice Grégoire heeft nooit zo'n mooie

Allerheiligen gehad. Zijn graf is bedolven onder

de bloemen. Jonathan heeft er zo'n grote krans

op neergelegd.

Ulysse Ziet u wel dat hij zo ondankbaar niet is. Men vergeet zijn ouders niet zo gauw. (Een stem uit een luidspreker kondigt een betoging aan bij Empyrex.)

Lydie De arbeiders zijn vastberaden. Ulysse Als men ze maar niet verraadt. Het aktiecomité heeft een oproep gedaan om ze te helpen, met geld...

Lydie Met levensmiddelen ook. (Jonathan komt binnen, gaat aan tafel zitten. Alice brengt hem koffie.)

Alice Hij legt nogal wat afstanden af de laatste dagen: zijn huis, de school, Empyrex, hier. Jonathan Het comité vraagt slaapzakken, dekens. (Alice gaat buiten. Komt terug binnen.) Alice Hier heb je er twee. Het zijn goeie. Lydie We zullen ze brengen. De nachten zijn al kil.

Ulysse De winter is in aantocht. Ik vraag mij af

wat ik hun zou kunnen brengen.

Jonathan (Tikkend op zijn machine.) Aan het

provinciaal comité Zuid.

Alice Waar ben je mee bezig?

Jonathan Enkele regels voor een telegram. "Een betoging werd gepland..." Alice Ze zijn naar het dorpsplein gekomen. Daar woonde de uitbater van de kolenmijn. Alle mijnwerkers zijn gekomen, met hun bijlen. Ze hebben geknield. Dat was voor 14-18, toen het socialisme ontstaan is. Was de uitbater niet gezwicht, dan hadden ze hem kopje kleiner gemaakt. Ze werkten overdag, ze werkten 's nachts. Hun kinderen zagen ze nooit. Op zekere dag is mijn jongere broer ingeslapen in de mijn. De mannen waren hem vergeten. Mijn vader is hem gaan zoeken. Men waste het linnen 's nachts, men had maar één stel. Sommigen hielden een koe, de minst armen. Een koe, dat was het loon van één man. Mijn moeder ging eens per maand inkopen doen, met haar kruiwagen. En we maakten kleine pakjes: reuzel, spek, om er zeker van te zijn dat we gingen toekomen voor de maand. We aten geen vlees. De miljonairs zullen afzien. Het is hun laatste kans.

Jonathan Je doet me denken aan wat Marx ooit zei.

Alice Marx?

Ulysse Wie is dat, Marx? (Alice gaat de operette wat minder hard zetten die men hoorde op de achtergrond. Ze komt naast Jonathan zitten, legt hem een deken over de schouders. Lydie en Ulysse gaan eveneens wat dichter bij de tafel staan.)

DOEK

Conversation en Wallonië werd in 1978 gecreëerd door het Ensemble Théâtral Mobile in Brussel; regie Marc Liebens. Het Centre National Dramatique du Nord - Pas-de-Calais (Noord-Frankrijk) neemt het stuk op zijn programma in het voorjaar 1988; regie Jean-Louis Martin-Barboz.

Volledig artikel als PDF

Auteur

Publicatie Etcetera, 1987-01, jaargang 4, nummer 16, p. 25-39

Trefwoorden jonathangrégoireulyssealicelydienotarisvrouweugènevader

Namen AfrikaanseAlfredAlice DanAlice DatAlice De gangAlice De winkelAlice De zoon van ThéodoreAlice DoeAlice EllendigAlice ErAlice EtenAlice EugèneAlice GrégoireAlice HeelAlice HelpAlice HerinnerAlice Het hemdAlice Het koorAlice HierAlice HijAlice HouAlice IkAlice InAlice JarenAlice JawelAlice JeAlice JijAlice JonathanAlice KomAlice LegAlice MarxAlice MenAlice MorgenAlice NaarAlice NeenAlice NietAlice OmAlice OpAlice StuderenAlice TegenwoordigAlice ToenAlice TrachtAlice UwAlice VaakAlice VeegtAlice VergeefAlice WanneerAlice WatAlice WeetAlice WelAlice WieAlice WistAlice ZegAlice ZijAllen OpAllerheiligenAlpenwindAltijdAmerikaAndréAngstAtheneumB.K.BalzacBegrijpendBelgerinkelBenjamino GigliBetuigenBezoek vanBliksemBootst GrégoireBoulogneBrabançonneBrusselCentre National Dramatique du NordConversation en WallonieCultureel CentrumDanteDe boomDe koningDe leraarDe punchDe tandDonderDoorDuitserDurieuEen beetjeEmpyrexbedrijfEn Luis MarianoEnsemble Théâtral MobileEricEugène BarstEugène DaarEugène De zoon vanEugène DezeEugène EenEugène GoedEugène HetEugène HijEugène IedereEugène IkEugène InEugène JonathanEugène JouwEugène KomEugène KortomEugène LaterEugène MeneerEugène MetEugène Mijnheer de GraafEugène NeenEugène NeergeknuppeldEugène NochEugène OpEugène RondEugène SpreekEugène StilteEugène VergeetEugène VindEugène VoorEugène WaagEugène WatEugène WeetEugène ZeEugène ZweerFar WestFlash-back vanFoto's J.-PFraikinFrancoFranse RevolutieGeblafGelaatstrekkenGeluiden vanGeneesheerGesprokenGodGraaf DeGraaf GeenGraaf HijGraaf IkGraaf JaGraaf LatenGraaf MooieGraaf NietGraaf NogalGraaf SulGraaf VaderGraaf WeGraaf WieGraaf WijGraaf ZonderGrieks-LatijnseGrimaudGroet JonathanGrootvader HelpGrootvader JeGrootvader ZekerGrootvader ZieGroteGrégoire AfgelopenGrégoire AlGrégoire BijnaGrégoire DaaraanGrégoire DaarnaGrégoire DenktGrégoire DoeGrégoire EenGrégoire EetGrégoire GaGrégoire GoedGrégoire HadGrégoire HebGrégoire HoeGrégoire JarenGrégoire JijGrégoire KenGrégoire LaatGrégoire LetGrégoire MaandenGrégoire MooieGrégoire OoitGrégoire SchudGrégoire SpijtigGrégoire UitstekendGrégoire UrenGrégoire VijfdeGrégoire VoeldeGrégoire VoorGrégoire WaaromGrégoire WeetGrégoire WelGrégoire WilGrégoire ZieGrégoire ZijnGrégoire ZwijgHalfstilHenri DeHenri HenriHenri HerinnertHenri HetHenri IkHenri MijnHenri OfwelHenri SpreekHenri WeHet WoordHoedenmaker EenJandorieJean LouvetJean ValjeanJean-Marie PiemmeJohnJonathan AanJonathan AhJonathan AlJonathan AnekdotischJonathan ArbeiderJonathan AsociaalJonathan BevelenJonathan BinnenkortJonathan BlijfJonathan BusiauxJonathan DaarnetJonathan DanJonathan DatJonathan DenkJonathan DiensthoofdJonathan DitJonathan EenJonathan EerstJonathan ElkJonathan EnkeleJonathan FamiliaarJonathan GaJonathan GewoonJonathan GoedJonathan GrégoireJonathan HebJonathan HeeftJonathan HerinnerJonathan HetJonathan HoeJonathan HolaJonathan IkJonathan InJonathan JarenJonathan JawelJonathan JeJonathan JijJonathan KijkJonathan KomJonathan LaatJonathan LatenJonathan LoopJonathan MagJonathan MeerJonathan MenJonathan MerkJonathan MetJonathan MijnJonathan MinJonathan NeenJonathan NetJonathan NietJonathan NogalJonathan NuJonathan OmJonathan OngerusteJonathan OnmiddellijkJonathan OokJonathan OpJonathan OverJonathan PraatteJonathan RaakJonathan RustJonathan SpreekJonathan TenJonathan ThéodoreJonathan ToenJonathan VanJonathan VijfJonathan VorigJonathan WaaromJonathan WabliefJonathan WanneerJonathan WatJonathan WerkenJonathan WieJonathan WijJonathan ZeJonathan ZijnJonathan ZonderJonathan en HenriJonathan-HetJoseph AhJoseph DanJoseph DenkJoseph HaalJoseph HierJoseph HijJoseph IkJoseph JeJoseph JijJoseph MijnJoseph VerkoopJoseph WaarJoseph WeJoseph WilJulietteKinderenKoffiepauzeKomaanLagardèreLe Bon UsageLeraar GoedLeraar UitstekendLeraar WatLeraar ZoLeuvenseLodewijk XIVLoonLouis XVI-sofaLucieLydie BentLydie DatLydie DeLydie DuizelingenLydie HetLydie HijLydie HunLydie IkLydie InderdaadLydie JeLydie JonathanLydie MetLydie NeenLydie OnzeLydie SchoneLydie TriktrakLydie VolgendeLydie WatLydie ZijnMichèle FabienMijnheer GrégoireMisnoegdNeen JonathanNeergekogeldNieuwjaarNoord-FrankrijkNotarisvrouw NuOnderOntwaaktOntwaartOom UlysseOp de tredeOpstaandOudheidPardonParelwittePerzischRazendRechtstaandRijzendeRondeRubicon vanRudi HirigoyenSalvador AllendeSequens vanSicilianenSolange IkSolange JeSolange JonathanSolange KomSolange NietSolange WeStationsstraatStéphan ArbeiderSuzanne DeSuzanne Een collega van JonathanSuzanne EugèneSuzanne HerschilderdSuzanne IkSuzanne JeSuzanne JonathanSuzanne MijnSuzanne VergeetSuzanne WanneerSuzanne WatSuzanne WieToen JonathanTot EugèneTot GrégoireTot HenriTot JonathanTot LydieTot UlysseTragerUlysse AfUlysse AkkoordUlysse AllemaalUlysse BemoeiUlysse DatUlysse EenUlysse ErUlysse GaUlysse GoedUlysse HaarUlysse Het dakUlysse HierUlysse HijUlysse IkUlysse InUlysse JaUlysse JefUlysse KurkdroogUlysse LangUlysse LuisterUlysse MenUlysse NatuurlijkUlysse TegenwoordigUlysse TochUlysse VeelUlysse WatUlysse WetenUlysse WieUlysse WijUlysse ZeUlysse ZietUlysse ZijnUlysse Zoals LydieVanafVerdiVergilius en DemosthenesVerontschuldigVerwardVictor HugoVlamingVolkskinderenWalloniëWesterseZiehierZuiddood van Grégoire