Archief Etcetera


Heleen Verburg



Heieen Verburg

Heleen Verburg geboren 22-6-1964 1976-1982 Gymnasium b

1984-1988 Akademie voor Kleinkunst te Amsterdam

1987 Ontvangt voor de door haar geschreven eenakter "Wie is J. Bernlef" de Kreativiteitsprijs op de Akademie voor Kleinkunst.

1987 Schrijn in opdracht van Mevrouw Smit het stuk "Moeder in de Wolken". Wordt daarna vast lid van Mevrouw Smit.

1988 Schrijft (tevens voor Mevrouw Smit) het stuk "Winterslaap" en speelt daar ook in mee.

1989 Onvangt voor "Winterslaap" een eervolle vermelding in het juryrapport van de Nederlandse Toneelschrijfprijs.

1990 Schrijft "Ze was het wachten waard". Eerste en waarschijnlijk eenmalige produktie voor volwassenen van Mevrouw Smit.

Vijf personages wachten (hoe lang al?) voor de gesloten deur van een huis temidden van hun reiskoffers. De schrijver, de lust, de trots, de oudste, de stervende : een vijfling van ongeveer dertig jaar. Achter de gesloten deur van dat huis : hun moeder. De moeder verschijnt niet, maar we krijgen haar relaas te horen via het dagboek dat zij door de brievenbus naar buiten heeft geworpen : hoe zij slechts één kind wilde, maar er vijf kreeg, hoe zij moest kiezen tussen de vijfling en de liefde voor haar man, hoe ze tenslotte voor haar man koos en de vijfling op straat zette. Als eeuwige kinderen rest er hen niet veel meer dan te wachten : "Ze roept ons wel. Het is een goede moeder. Ze is het wachten waard." Maar het wachten krijgt iets Beckettiaans : "We always find something, eh, Didi, to give us the impression that we exist?", analyseert Estragon in Waitingfor Godot haarscherp de situatie. De oudste doet in Ze was het wachten waard hetzelfde : "Kunnen we niet nog een poging doen. De dingen op een rijtje. Geen paniek, we zijn met vijf. We vinden overal een reden voor. De bagage en de deur. Twee vrij belangrijke gegevens." Maar er zijn geen 'gegevens', geen 'redenen'. Met wrede mildheid en onverwachte poëzie is Ze was het wachten waard een allegorie van het ongemak dat leven heet.



Ze Was Het Wachten Waard

Personages : de schrijver, de lust, de trots, de oudste, de stervende

(Samen vormen zij een vijfling van ongeveer dertig jaar. Ze bevinden zich op straat, voorde

gesloten deur van hun ouderlijk huis, temidden van een groot aantal koffers.) (De in hoofdletters gedrukte gedeelten zijn fragmenten uit het dagboek van hun moeder. Zij

worden voorgelezen door de schrijver.)

de schrijver de schrijver Ze hadden me al op haar buik ge- de trots

IK HEB HET GEDAAN. ZE ZIT- HET IS VAKER GEDAAN. legd. Had jij dan ooit een andere vrouw

TEN BUITEN. DENK AAN AL DIE VONDE- Ze was al helemaal van mij. Toen gezien ?

HET VIEL NIET MEE. HET LINGEN. kwamen er nog meer. de schrijver

WAS GEMAKKELIJK GE- DIE ZIJN TOCH OOK GOED TE- Toen kwamen jullie nog. Neen, zij was de eerste waarop ons

WEEST ALS EENTJE NIET ZO RECHT GEKOMEN. Ze achtervolgden me. oog bleef hangen.

HARTVERSCHEUREND HAD HET IS NIET MIJN SCHULD. Maar ik, ik ben de oudste. de trots

GEHUILD... VIJF IS TEVEEL. Hebben we geslapen ?

de trots VOOR IEDEREEN. VOOR MIJ de schrijver allen

Stop ! OOK IK ZEG TEGEN MEZELF. KEER Nooit.

We moeten even wachten. EN VOOR MIJN ARME MAN. OP KEER OP KEER. VIJF IS TE- de trots

Gewoon even wachten. VIJF IS TEVEEL. VEEL. Hebben we de deur ooit uit het oog

Dan doet ze straks weer open. EENTJE WAS GENOEG GE- DUIDELIJK verloren ?

Huilend WEEST. VIJF IS TEVEEL. allen

Want ze kan niet zonder ons. de oudste EENTJE WAS GENOEG GE- Nooit.

Dat weten we allang. En nu allemaal weg. WEEST. IK WILDE ER MAAR de trots

Ze kan niet zonder ons. de lust EENTJE. Weten we heel zeker dat dit de plek

de schrijver Ik vroeg me al af wanneer hij zijn KIJK HOE IK HIER ZIT. is waar we ooit begonnen zijn. Heb-

En verder ? geduld zou gaan verliezen. de schrijver ben we niet stiekem een klein stukje

de trots de oudste Hebben wij wel een moeder ? omgelopen. Naar de dichtstbijzijnde

Dan vallen we Kruipend ongedierte, weg ! de trots deur bijvoorbeeld.

Snikkend de lust Natuurlijk hebben wij een moeder. allen

in haar armen Kom op, we gaan. de lust Geen sprake van.

En dan zeggen we de trots Als wij niet uit haar monsterlijke de trots

de schrijver Nee ! buik gekomen zijn, waar anders dan. We wachten bij de goede deur op de

Mama, het was onze schuld. de lust de schrijver goede moeder.

de trots Kijk kijk, dat is het enige dat ze zich Wij hebben dus een moeder met een de trots

Want dat was het. herinnert. monsterlijke buik. Maak haar wakker.

de lust We gaan niet weg. Is zij binnen ? (tegen de schrijver)

Wat het ook geweest is de oudste de trots de schrijver

de trots Weg. Allemaal weg. Ettergebroed. Natuurlijk is zij binnen. Ik denk dat ze dood is.

Het was onze schuld. de schrijver de schrijver de oudste

de lust Addergebroed. Waarom ? Wie?

Ze moet gewoon nog even huilen de oudste de trots de schrijver

de trots Wat? Omdat wij haai* in al die eeuwen Zij.

En als dat over is, de schrijver nooit naar buiten zagen komen. de lust

komt ze naar beneden met een thee- Het is addergebroed. Niet etterge- de schrijver Ze is wel wakker.

blad vol met koekjes. broed. Het is etterbuil. Is zij onze moeder ? de schrijver

En dan zegt ze : lieverd doe je maar de oudste de trots (huilend)

te goed. Je zult Uit mijn ogen. Vraag dat nog eens. Ze is dood.

wel honger hebben. de lust de schrijver

de oudste Laat nou maar. Is zij onze moeder ? Weten we dat pauze

Zegt ze dat alleen maar tegen jou ? de oudste zeker. Stel je voor dat zij niet onze

de trots Morgen ga ik jullie vermoorden. moeder is. We staan al jaren de ver- de stervende

Tegen mij het eerste Dan ben ik weer alleen. keerde op te wachten. Is het al afgelopen ?

En daarna ziet ze jullie. Daar was het om begonnen zie je, de trots de schrijver

de trots dat ik alleen zou zijn. Was dit de eerste keer dat wij naar Ze is niet dood, ze wou ons laten

Ze roept ons wel. Dat was ik ook. buiten gingen ? schrikken. Gelukkig, stel je voor. Ik

Het is een goede moeder. Een gelukkig ogenblik. de schrijver moet er niet aan denken met zijn

Ze is het wachten waard. Ja. vieren.



de stervende Nou? de lust

Nee, een nieuwe dag. de schrijver Zoveel nog te doen. de trots

U maakt uzelf belachelijk, de schrijver Zoveel nog te leren, de lust

't Is wel een mooie dag.

Dat maakt mij ook wat mooier.

de trots

U maakt uzelf onsterfelijk belachelijk, de lust

Laat haar met rust en ga in godsnaam aan je werk. Ieder heeft zijn weg. de trots

Dat was niet de bedoeling. Toen wij geboren werden. Dat elk van ons afzonderlijk zijn eigen weg zou gaan. Dat was niet de bedoeling. Wie tegelijk geboren wordt, dient tegelijk te sterven. Zo zie ik het. Zo is het. de lust

Goed. We hebben het gehoord, de schrijver

We zullen eraan denken, de stervende Dat alleen. En niet meer. de oudste

Hoe is het met ons lijk vandaag. Al aan de beterende hand ? de stervende

Integendeel. Ik heb de hoop al lang geleden opgegeven. Is het gisteren niet gelukt ? Wat oneindig zonde. Ah, weer een geheel nieuw uitzicht. Gisteren de bergen, vandaag een stapel hout. Wie weet waar we morgen zullen staan. Het gaat mij lang niet snel genoeg, het sterven. Ik zou het liefste weg zijn voordat jullie weer gezamenlijk die golf van ongeluk herhalen, de trots

Wat bedoelt ze ? de lust

Je weet best wat ze bedoelt, de stervende Het komt ervan de lust

Het komt er altijd van. de stervende Dat is zo klaar als boter de lust

Ik doe er niet aan mee. de stervende

Ik wil het niet meer horen. Niet

weer.

de lust

Niet weer dat hele verhaal Van achteren naar voren, de stervende

Als ik mag sterven voor het zover is, zal ik heel zoet zijn. Heeft iemand een geweer ? de oudste

Was het maar waar. de trots

Het is de hoogste tijd

Vandaag

Om op te staan.

Al is het maar voor eventjes.

de stervende

Ik sta niet op.

de oudste

Het is de hoogste tijd de trots

Het is de hoogste tijd Vandaag de oudste Om op te staan de schrijver Eventjes, zei zij. de stervende Ik sta niet op. de schrijver Eventjes misschien, de stervende Ik sta niet op. de lust

Hier komt herrie van. de schrijver

Doe het dan voor hem. Je weet, hij is de oudste, de oudste

Wie is hier de oudste ?

de stervende

Jij.

de oudste

Het staat in mijn papieren, de stervende

Ja, en doe in godsnaam zachtjes, de oudste

Waar zijn mijn papieren ? de lust

Hij wil weer zijn papieren, de oudste

Mijn papieren, ach waar heb ik die. Waar zijn ze, die papieren, de lust

Weet ik niet. Gevallen.

de schrijver

Nat.

de lust

Ja, vreselijk.

de schrijver

Hij is toch wel de oudste ? de lust

Tuurlijk liefje, de trots Sta op. Sta op. de stervende

Ik sta niet op, ik sterf.

de schrijver

KIJK HOE IK HIER ZIT.

MET MIJN KROMME RUG OP

DE TRAP

HET IS MIJN LIJF TEVEEL GEWEEST.

ZE ZIJN ME TEVEEL GEWEEST.

DENK AAN JE MOEDER. DENK AAN MIJ, ELLENDELINGEN.

de schrijver

Denk je dat ze dood is ? de trots

Wie?

de schrijver

Mijn moeder.

de stervende

Ik denk het wel. de oudste

Maar daarom kan ze mij nog wel naar binnen laten, de trots

Ik denk het niet. Ze is niet dood. de schrijver

Hebben wij het gedaan ? de trots Wat ?

de schrijver

Onze moeder vermoord.

de trots

Nee.

de stervende

Ik zou niet durven, de trots

Nee, dat heb ik je net uitgelegd. En

waarom in godsnaam.

Waarom vermoordt een mens zijn

moeder.

de stervende

Uit liefde. Haar te behoeden voor de ouderdom is de grootste gift die valt te geven, de schrijver

Denk je dat iemand anders haar heeft omgebracht ? de trots

Een moeder als de onze wordt niet omgebracht. Die heeft het eeuwig leven, de oudste

Wie is hier eigenlijk de oudste ?

Wie is hier eigenlijk de oudste ?

Tante Martha weet het.

de lust

Wat ?

de oudste

Wie de oudste is.

Ik heb het gevraagd. Ik vroeg, wie is de oudste ? de trots

En?

de oudste

Ze zei dat ze het niet wist, maar ze

wist het wel. Ik zag het omdat haar

haar van kleur veranderde.

Ik ben de oudste. Dat zei ze zelf. Ze

wees naar me. Met haar vinger.

de schrijver

Wie is Tante Martha ?

de oudste

Ik ben nog nooit zo ver geweest. Zo ver van mijn oorsprong, de lust

Ik noem het twintig stappen. Misschien eenentwintig, de oudste

Er valt niets te herkennen. Alles is zo woest. En onbetrouwbaar. Kijk niemand recht in de ogen. Het kan je dood zijn. Ik ken dat geluid. Ik heb gevochten, de schrijver O ja ? Waar ? de oudste Mijn hele leven, de schrijver En?

de stervende

Wat.

de schrijver

Heb je gewonnen ? de oudste

Ik word gezocht. Ze zitten me achterna. Maar ze krijgen me niet. Ik red me altijd. Ik ben de man. Ik ben de oudste, de schrijver

En anders heb je ons nog. de stervende

Ja, jij hebt broers en zussen daar kun je een hele leger van samenstellen, de schrijver Vier. de oudste

Ik heb teveel bagage. Waar heb ik het ook weer. de trots Je laarzen, de oudste

Als het allemaal meezit, lijken we morgen minder op elkaar. Heeft iedereen het even koud als ik ?

pauze

de stervende

Heb je weieens iemand vermoord de oudste

Honderdduizend keer.

pauze

Heeft niemand iets te vragen ? de stervende Hoe heb je het gedaan ? de oudste

Ik heb er lang over nagedacht. Je moet mensen op persoonlijke wijze ombrengen, de stervende

Waarom heb je het gedaan ? de oudste

Ik hou niet van mensen. Ik hou niet van jullie, de stervende Je zult wel moeten. We zijn uit een stuk gesneden. We draaien om elkaar zoals de planeten. Alleen een grote klap krijgt ons uit elkaar. Een hele grote klap de trots

Er moet een verfje op.

Die deur is niet om aan te zien.

de stervende



Ja, we zitten hier behoorlijk voor gek.

de schrijver

ZITTEN JULLIE ER NU NOG ? HOE LANG GAAT DIT NOG DOOR ?

WORDEN JULLIE DAN NOOIT MOE ?

HEBBEN JULLIE JE WELEENS AFGEVRAAGD HOE DE REST VAN DE WERELD ERUIT ZOU ZIEN ? de lust

Wanneer gaan we ? de trots Gaan we wat ? de lust

De wijde wereld in. de trots

Dit is de wijde wereld, de lust

Ik geloof niet dat ik dit een prettig plekje vind.

Kunnen we niet verder ? de schrijver Ik weet het niet. de lust

Laten we een plekje verder gaan. pauze

Zal ik mijn haren afknippen ? de schrijver Neen ! de lust

Mijn eerste man, hij vond het mooi. Mijn tweede man nog mooier. En alle mannen van daarna smeekten me : laat het groeien. Dus dat deed ik.

pauze.

Komen hier ook mannen langs ?

Het wordt weer eens tijd dat ik eens

iets laat zien. Wat dacht je van mijn

borsten ?

de trots

Neen.

de lust

Mijn knieën ? de trots Neen. de lust

Waar zal ik dan beginnen ?

de schrijver

Bij het broekje.

de trots

Neen !

de lust

Ik ga maar weer eens een ommetje

maken.

de trots

Zit.

de stervende Zit ! de lust

Ik zit al. Ik zit al. de stervende

Zeg eens, hou jij eigenlijk van ons ?

de lust

Ja.

de stervende Echt ? de lust Ja echt. de stervende

Als je echt van iemand houdt, ga je er nooit bij weg namelijk, de lust

Ik kleed me even om. de schrijver

HEBBEN JULLIE JE WELEENS AFGEVRAAGD HOE DE REST VAN DE WERELD ERUIT ZOU ZIEN ?

OM DE HOEK GA EENS OM DE HOEK KIJKEN. WIE WEET. de trots

Zusje liefje, nu we hier toch zo zoetjes aan staan, laat mij je nog een vraag stellen.

pauze.

Ja?

de stervende Ja, goed. de trots

Is het niet zo dat als je bekijkt hoe lang we de jaren hier al tellen en als je bekijkt hoe langzaamaan wij verschrompelen, zowel van binnen als van buiten. Is het dan niet zo. Zou het misschien kunnen zusje. Zijn wij te trots ? de lust

Wat gaan we hier nou doen ? de trots Wachten, de lust

Tot wanneer ? Ik ben daar niet erg goed in. Wachten. Dat weet je. de trots

We zijn afhankelijk, de lust

Natuurlijk niet. Dat is wat jij zou willen. En ondertussen worden wij maar ouder en verliezen onze schoonheid. Zitten al je knoopjes dicht ? Ik mag geen huid ontwaren. Dat was toch het idee ? Dat jij in dichtgeknoopte stilte huilen zou. Je hele leven lang. Nou, huil dan. En zeur niet over dingen waar je geen verstand van hebt. de trots (huilend)

Geduld is een schone zaak. Ik heb al het geduld van de wereld gehad en daarom ben ik zover gekomen. Dat zul jij nooit begrijpen, de lust

Mijn tijd komt nog wel. de trots

Jij hebt je tijd al gehad, liefje, de lust

Hoor je dat ? Daar roept iemand mijn naam. Ze kennen me nog. Ze zijn me niet vergeten. Ik moet even een oude kennis gaan verwennen. Mijn lichaam druipt al. Heerlijk, de trots

Zit !

de stervende

Ze druppelen gezamenlijk de dagen aan elkaar. De een van lust, de ander van verdriet. Merkwaardig niet. Twee zussen en zo anders.

de schrijver

IK MOET DIE ENE MAN. HIJ IS WAT IK NOG OVER HEB. HIJ ZAL MIJ WEER BEMINNEN.

ZOALS VROEGER. ZOALS ALTIJD ALS HIJ HONGER HAD. IK ZAL MEZELF WEER VOELEN. DAT WAT IK VERGETEN WAS.

ALS ZE WEG ZIJN. GA WEG. WEG, ZEI IK.

pauze

de schrijver

Lief zusje, wat ga jij doen als we worden binnengelaten ? de trots

de schrijver

Lief zusje, wat ga jij doen als we worden binnengelaten ? de trots

de schrijver

Wil je even zitten ? de lust

Ik denk dat je haar beter niet kunt storen. Zij heeft verdriet, de stervende

Ja, zij heeft reeds een slootje om ons heen gehuild, de trots

Herinner jij het je nog ? De dagen, de schrijver Ja natuurlijk, de trots

Hoe mooi ze waren. Wat er gebeurde.

de schrijver

Wat er niet gebeurde, de trots

Goed zo, we mogen niet vergeten. We zijn een dagje uit geweest. Dat mogen we niet vergeten, de schrijver Naar de waterval, de trots

De grote waterval, de schrijver

Hij was mooi, maar ook een beetje

angstig.

de trots

We hebben lang staan wachten, op iets waar we geen verstand van hadden, zei mama. de stervende

En toen begon je te gillen, harder

dan de waterval, want mama kreeg

die blik weer in haar ogen. Die blik

wanneer ze rare dingen gaat doen.

de schrijver

En toen tilde ze ons op.

de trots

Ze tilde me op. Dat was om me op het hekje te zetten, de stervende

En je dan met een klein zetje in de waterval te duwen. Zodat je met je hoofdje op de harde stenen zou beuken. En dat het uit elkaar zou spat-, ten. En dat alles paars zou worden. Niet rood, paars. Maar dat je nog heel lang kon denken. Lang genoeg om de pijn te voelen. En je zou beneden aankomen als een onherkenbare drab. En je zou meegesleurd worden door het water, tot er niets meer van je teruggevonden kon worden. En moeder lachte, de schrijver Moeder lachte ? de stervende Ze hield niet meer op. de schrijver Was dat zo ? de stervende Ze hield niet meer op. de schrijver Was dat werkelijk zo ?

pauze

de schrijver

Wil je niet even zitten ?

de trots

Dwing me niet.

Niemand dwingt me.

Niemand.

Rust.

Kijk niet zo. Kom hier. Ga daar staan. Goed zo.

Draaien. Langzaam. Mooi.

Nog steeds mooi.

Ga maar naar je plekje. We gaan het niet meer hebben over wat er is geweest. Nooit meer. de lust

Lees dat éne stukje nog eens. de schrijver

IK MOET DIE ENE MAN. MIJN

MAN. BEGRIJPEN....

de lust

Verder.

de schrijver

HIJ ZAL MIJ WEER BEMINNEN, de lust

Zoals altijd als hij honger had. de schrijver

HIJ ZAL MIJ WEER BEMINNEN, de lust

Ik druip. Meneer.

Heeft u misschien een doekje ?

de oudste

Heb jij misschien een doekje voor mevrouw ? (tegen s) de lust

Bent u getrouwd meneer ?



de oudste

Ik geloof het niet. de lust

En vind u mij aantrekkelijk ? de oudste

Ach ja, waarom ook niet. de lust

Dan heb ik een verrassing voor u. Ik

ga u straks bespringen.

de oudste

Wat?

de lust

Ik had u al een tijdje in de gaten. Soms duurt het dagen voor ik iemand vind. En nu ineens een prachtig exemplaar. Ik heb wel mannen in mijn koffer, maar die zijn alleen voor noodgevallen. Vindt u mij aantrekkelijk meneer, de oudste Ik... de lust

Ik heb heel wat te bieden. Ze vinden mij de schoonste aller vrouwen. Dat zegt men in de omgang over mij. Geestig hè. Het is nog waar ook. Ik wil u wel een stukje van mij laten voelen. Om er een beetje in te komen, de oudste

Ik moet haar iets bekennen. Ik ben haar broer, maar ik ben wel de oudste.

de lust

Zeg me dan, denk je dat je van me

houdt?

de oudste

Daar moet ik even over nadenken, de lust

Ik moet het nu weten, de oudste

Ik... Weet je, ik vind altijd al dat je een beetje te grote borsten hebt. de lust

Borsten ? Waar dan ? de oudste Nou daar. de lust

O die. Ja maar die zijn niet van mij. Die heb ik geleend. Ik ga ze weer terugbrengen. Ik ben er zelf ook niet zo tevreden mee. Ik kleed me even om.

de oudste

Ik heb niet gezegd dat ik haar niet leuk vond, ze is gewoon een beetje jong.

de schrijver

HIJ IS NAAR DE ZOLDER VERHUISD

HIJ WIL ZE NIET MEER HOREN.

HIJ IS EEN GEVOELIG MENS. MIJN MAN. HUN VADER. IK DENK DAT HET BETER IS ALS ZIJ IN DE KELDER GAAN WONEN. IK DOE DE DEUR OP SLOT. de oudste

Pappa had zijn koffer in de keuken staan. Hij stond altijd op het punt om te vertrekken. Mammie was een

ster in listigheid. Zij kon op staande voet een wereld van geluk verzinnen en dan bleef hij maar weer even. de lust

We hadden pappie bijna bij haar

weggejaagd.

de schrijver

Ja, dat was een foutje.

de stervende

Dat ging veel te ver.

de lust

Maar niet expres. Toch ? de oudste

Wist jij dat mammie zoveel van hem hield ? Ze hield meer van mij. Dat weet ik zeker, de stervende

Ze hield ontzettend veel van ons. Ze zal ons niet vergeten, de oudste

Denk je dat mammie evenveel van jou hield als van mij ? de stervende

Ik denk het niet. Ik denk dat ze meer van mij hield dan van jou. En daarom zitten we hier allebei, de oudste

Hoe zou ze er nu uitzien. Met of zonder haar. Mijn moeder had een vuurtje in haar haren. Mijn moeder was de mooiste. Je ziet ze wel langskomen, de vrouwen. Bij lange na zo mooi niet. Ik hield meer van haar. Ik hou van mijn moeder als van een minnares, de schrijver

We hebben papa bij haar weggejaagd, de lust

Was moeder mooi geweest dan had

ze zonder moeite een nieuwe man

gesmeed.

de oudste

Jaloezie.

de lust

Is het niet bespottelijk je leven te

vertreuren om een man. Om eentje

maar.

de oudste

Jaloezie.

de lust

Er zijn er zoveel meer. Zoveel onwaarschijnlijk mooie mannen, de oudste Trouw heet dat. de lust

Ik noem het een gebrek.

Moeder had een groot gebrek aan

levenslust.

de schrijver

Van wie zijn die laarzen ? de trots

Was dan iemand van plan te gaan lopen ? Van wie zijn die laarzen ? de lust

Geen idee. Ik heb een veel subtieler

maatje.

de trots

Ruim ze op.

(s wil ze opruimen)

de oudste

Neen !

de trots

Ah, zijn ze van u ? de oudste

Natuurlijk niet. Ik loop het liefst op blote voeten, de stervende

Zodat iedereen kan zien hoe krom zijn tenen zijn. de schrijver

Papa was op dat moment zijn laarzen aan het zoeken, de lust

Op welk moment ? de stervende Op het moment, de oudste Hij had ze aan. de schrijver

Hij was ze aan het zoeken. En daarom deed hij niks toen moeder ons de deur uit duwde. Daarom deed hij niks. de lust

We hebben hard gegild. Hij had het moeten horen.

Daarom deed hij niks. Hij was zijn laarzen aan het zoeken. Heel ver weg. de stervende

Onze oudste had ze aan. Bravo, de schrijver

Hij kon ons echt niet redden. Hij moest eerst zijn laarzen zoeken. Laarzen zijn belangrijk, de stervende

Stel dat ik op zou staan. En stel de deur stond open. En stel dat ik zou lopen en door de deur zou gaan. Zouden jullie volgen ? de schrijver

Gaan we ? Gaan we eindelijk naar binnen ? de trots

Je zei toch stel ? Ze zei toch stel ?

de lust

Dat zei ze ja.

de schrijver

Volgen we ?

de trots

We volgen.

de schrijver

Ja, we volgen.

de stervende

Hoor je dat. Ze volgen. En zo hoort het ook. de oudste

Ik wou dat we elkaar eens kwijtraakten.

de stervende Lukt niet. de lust

Nee.

de stervende

Sommige mensen achtervolgen je.

de lust

Tot de dood.

de stervende

En verder

Veel verder.

Wij zijn als vijf geboren. We gaan als vijf op weg. We moeten niet gaan denken dat we allemaal afzonderlijk iets zijn, want dat zijn we niet. Gezamenlijk.

de oudste

Morgen ga ik ze vermoorden

Dan ben ik weer alleen.

Daar was het om begonnen zie je,

dat ik alleen zou zijn.

Ze achtervolgen me, maar ik, ik ben

de oudste.

de schrijver

ZE MOETEN WEG. DE KELDER IS NIET DIEP GENOEG.

ZE ACHTERVOLGEN ME. ZE ZITTEN IN MIJN HOOFD, de schrijver Dit loopt dood. de lust

Dat zie ik ook wel. Maar we moeten verder, want het heeft geen zin om stil te staan. Dat doen we al zo lang. Kom.

de schrijver

Waar zijn we in godsnaam, de trots

Ergens tussen waar we begonnen zijn en waar we gaan komen, de stervende

Ik denk dat we op weg zijn naar de

ondergang.

de schrijver

Waar gaan we vandaag heen. de trots Verder, de lust

Verder. Altijd maar verder, de schrijver

Volgens mij gaan we terug.

de trots

Wie zei dat ?

En waarheen dan wel ?

de schrijver

Naar waar we begonnen zijn. (bulderend gelach van de anderen)

pauze

de schrijver

Wanneer zullen we er zijn ? de trots

Liefje, waag het niet nog een keer mijn oor met dat soort onzin te bevuilen, anders mep ik je persoonlijk de sloot in. de lust Hij is bang. de schrijver

Wanneer zullen ze ons binnenvragen ? de trots

Bindt dat kind met zijn tong aan een lantaarnpaal. We staan al tot onze knieën in het stinkend slijk. Laat het niet nog verder komen. Laat het niet.

de stervende

Ach, ze huilt alweer.

de schrijver

JULLIE GAAN OP REIS, DAT ZAL IK ZEGGEN. PAK JE KOFFER MAAR. ZOEK EEN KOFFER UIT, EN NEEM WAT MEE. HET GEEFT NIET



WAT. HET KAN ME NIKS MEER

SCHELEN.

de trots

We zijn er.

de schrijver

Ah, we zijn er.

de lust

Waar ?

de schrijver

We zijn er, zegt ze.

de lust

We stoppen hier toch niet. de trots

Jawel we stoppen hier. de trots

Maak haar wakker. (tegen de schrijver) de lust

Maak haar wakker zegt ze. We zijn er.

Als je maar niet denkt dat ik hier blijf slapen in dit godvergeten luizennest. de trots Nee. de lust

De tijden zijn veranderd.

de trots

Ja.

de lust

Als je dat maar niet denkt, de trots Nee. de lust

Ik kleed me even om. de schrijver

Ze is wakker. Ik heb haar wakker

gemaakt.

(tegen t)

de trots

Goed.

de schrijver

Wilt u even zitten ?

de trots

Nee.

pauze

de oudste

Wel een beetje kaal hé.

Wat denk je van de grond ? Daar

haal je nog geen dooie pier uit schat.

Vergeet het.

de schrijver

Wat is dat ?

Een onbekende deur.

de lust

Dat is een onbekende deur. Dat heb je heel goed door. Dan gaan we maar weer verder hé. de oudste

Ze zegt dat we er zijn. Dan zijn we er. Uit. de lust

Goed, we zijn er. de schrijver Goed.

pauze

de lust

Hoe lang blijven we ? de schrijver

Dat heb je al gevraagd. Vanochtend de oudste

En straks vraagt ze het weer. de schrijver Hoe weetje dat ? de oudste

Let op, daar komt het. de lust

Hoe lang blijven we ? de oudste

Ik ken dat hoekje van haar hoofd bijzonder goed. Zij moet het van haar schoonheid hebben. Dat is wat zij denkt, de schrijver

Misschien kunnen we hier eerst wat soep eten. de trots

Je hebt net soep gehad, de schrijver

Andere soep.

pauze

Mogen we de koffer al uitladen ? de oudste Ja hoor. de trots

We gaan alles lekker laten zitten, we gaan nergens aankomen en we gaan heel erg onze mond dichthouden.

de schrijver

Weet u wie hier woont ?

de trots

Nee.

de schrijver

Zal ik even kloppen ? de trots

Nee!

We hebben je nog veel te leren kind. de schrijver

JULLIE GAAN OP REIS, DAT

ZAL IK ZEGGEN.

DOE JE MOOISTE KLEREN

AAN, PAK JE KOFFER , KIJK

NIET OM. IK ZAL ZE ZOENEN,

JA, DAT ZAL IK DOEN. IK KAN

ZE BEST NOG ZOENEN.

JULLIE GAAN OP REIS.

HOE LANG MAMA

WAT MOET JE ZEGGEN.

JE HELE LEVEN, KIND, IK

WEET HET NIET.

HOE LANG MAMA

DIE DEUR MOET OPEN. DAT

EEN GEBAAR ZO GROOT

KAN ZIJN EN ZO VERMOEIEND

HOE LANG MAMA. de oudste

Praat.

de stervende Wie, ik ? de oudste Ja.

de stervende

Ik heb niks te zeggen. Ik ben stervende, de oudste

Praat. Over je geheimen, de stervende

Ik heb geen geheimen meer. Alles wat ik zeg is al bekend. Jullie kennen elk spleetje tussen mijn tanden. Alle plekjes waar het altijd jeukt. En dat ik het zo lang niet meer zal maken, maar dat is niet zo erg zolang ik jullie heb. Wat valt er nog te zeggen ? de oudste

Kijk eens in je koffertje, de stervende Waarom ? de oudste

Misschien zit er iets in. de stervende

Ach nee, het is niet meer de moeite. Kijken jullie maar als ik er niet meer ben.

de oudste

Weten jullie wat er in die koffer zit ? de lust

Nee, dat vragen wij de schrijver ik

de lust

wij ons ook al tijden af. En daar krijgen wij de schrijver ik

de lust

wij dan weer hoofdpijn van. Wat heb jij in je koffer ? de schrijver Laat eens zien. de stervende

Ik wist dat het ging komen, de oudste

Ik zou wel willen weten wat er in je koffer zit. Wat heb je in je koffer. Waarom mag ik het niet zien. Ik zal het niet verraden. Aan de anderen. Natuurlijk niet. Ik was te vertrouwen. Als enige, nietwaar ? Wat heb jij in je koffer ? Is het gevaarlijk ? Iets dat kwaadspreekt over mij. Heb je een verrader in je koffer. Of enkel oude lappen ? Als het oude lappen zijn, kun je het rustig zeggen. Je moet het me vertellen. Iets persoonlijks ? Iets dat kwaadspreekt over mij? de trots

Nu is het wel genoeg, de oudste

We zijn toch allemaal hetzelfde. We hebben geen geheimen. Dat hoort niet als je zo met ons verbonden bent. Geen geheimen alsjeblieft.

de stervende Laat dat. de oudste

Ze hebben ons afzonderlijk bagage meegegeven. Dat was een valstrik. Muiterij. Bagage zaait paniek zolang het ongeopend blijft, (pakt de koffer en wil hem open maken) de stervende Zet onmiddellijk neer. de oudste

Ik ken je hele ziel, maar niet je koffer, dat is onverdraaglijk. Wat zit erin ?

de schrijver

Wat zit er in de jouwe ? de oudste

Waarom zou ik vertellen wat er in de mijne zit als ik mijn ogen van de jouwe af moet houden ? Ik heb niets te verbergen, maar ik vind dat er gerechtigheid moet zijn. de stervende

Ja, wat zit er in de jouwe ? de oudste

Ga liggen, je stoort me.

de stervende

Maak open.

de oudste

Nooit.

de trots

Maak open.

de oudste

Het liefst had ik dat jullie allemaal één voor één de dood in gingen, de trots

Maak open !

(o maakt de koffer open)

pauze

de trots

Hoe ben je aan dat beest gekomen ? Zeg op.

Heb je hem verduisterd.

In de ellende achterover gedrukt ?

de oudste

Hij was van ons.

de lust

Hij was dood maar vergeten, de trots

Vergeten vooral, de schrijver Is hij dood ? de lust

Hoe lang geleden... de stervende

Is onze hond al teruggekomen van de wandeling ? de lust

Niet weer gaan huilen, de schrijver

Wij hebben ook een hond gehad, de oudste

Ze had hem geslacht, de lust

Niet huilen alsjeblieft, de stervende

Het is een andere. De onze is gaan

wandelen.

de oudste

Ze wilde hem gaan scheren en dan met de vuilnis mee.



de lust

Ik denk dat je je vergist. Onze hond

ging wandelen.

de schrijver

Een blokje om.

de stervende

Een heel lang blokje.

de schrijver

We moeten iets gedaan hebben de lust

Iets heel erg fouts, de trots

Maar we zeggen niet wat Want we weten niet wat de schrijver

Maar het zal wel iets geweest zijn. de lust

Iets heel erg fouts, de trots

Laten we bij het begin beginnen.

Lees,.'..

de schrijver

HET WOORD IS NU AAN MIJ. HIER MAG IK HARDOP GILLEN.

DAGBOEKEN VERKLAPPEN NIETS.

DAT IS HET PRETTIGE. STIL.

WAAR ZAL IK BEGINNEN NA DIT ONVERGETELIJKE NUMMER DAT BEVALLING HEET. ZE ZIJN VANNACHT GEBOREN. ALLE VIJF. MIJN GOD, HET ZIJN ER VIJF. MAG IK HET HARDOP ZEGGEN.

WAT HET IS MET ZOVEEL VOCHT.

MET ZOVEEL BENEN WIJD. WAT HET IS ALS BIJ DE EERSTE ALLES AL OP BARSTEN STAAT

MAG IK ZEGGEN WAT HET IS

ALS HET NIET STOPT ?

ALS ER NA DE DERDE NOG

EEN VIERDE KOMT.

EN NOG EEN VIJFDE.

EN ALS HIJ DAN MET EEN

DREUN DE DEUR DICHT

SMIJT.JE MAN.

DAT HET NATRILT IN JE.

NOOIT MEER.

de trots

Er valt verder niets op ons aan te merken.

We reizen wat. de oudste We staan We reizen wat. de oudste

We stonden weet je nog. de lust

En verder niets, de trots

Niks op aan te merken, de oudste Ga maar door.

de schrijver

IK GEEF ZE GEEN NAMEN. ALS JE EEN VIJFLING NAMEN GEEFT, GEBEUREN ER ONGELUKKEN, ZEGT HIJ.

pauze

de oudste

Door.

de schrijver

Mag ik hier wel staan eigenlijk. Met mijn te grote voeten ? de oudste

Dat is toch je plekje ? de stervende Lees door, zei hij. de schrijver

Straks maak ik wat kapot, de trots

Ik denk dat we beter kunnen stoppen.

de schrijver

Straks maak ik iets kapot waar jullie heel erg veel van houden, de oudste Door.

de schrijver

EN WAT ZAL HIJ GAAN ZEGGEN VAN MIJN BUIK. DIE BUIK. WAARIN JULLIE JE IN HET GENIEP GENESTELD HADDEN. WAARIN JULLIE GETRAPT EN GEVLOEKT HEBBEN EN JE MISDRAGEN OP ALLERLEI MANIEREN. TOT HIJ OP MIJN KNIEËN HING. MIJN BUIK. MIJN MOOIE BUIK.

EN WAT ZAL HIJ GAAN ZEGGEN. MIJN MAN. HIJ HOUDT VAN ME. JAZEKER. MAAR ZAL HIJ MIJ MIJN BUIK VERGEVEN.

IK HOOP HET. IK HOOP HET VOOR JULLIE MIJN SCHATJES. de lust

Ik heb om haar gelachen de stervende

Heb je om haar gelachen ? de oudste Nee toch. de lust

Ik heb om haar gelachen omdat haar

buik zo bobbelt als ze gaat zitten.

de stervende

Je hebt haar uitgelachen.

de trots

Nee toch. de stervende Ofwel, de trots

Ze doet zo wel open. de schrijver

Ik had haar een zoen moeten geven. Vlak voordat ze ons de deur uitduwde had het gekund, de oudste Het had gekund, de stervende Maar je deed het niet. de schrijver Het ging niet. de stervende

Het ging wel, maar je wilde niet. pauze

de schrijver

Mijn moeder is lief. Toch ? Weet ze dat ik het koud heb ? de lust

We kunnen kloppen, de trots

Ik zou nog even wachten, de lust

We kunnen zachtjes kloppen, de oudste

En als ze komt, wat dan ? de schrijver Het is mijn schuld, de trots

Ze kan me meesleuren naar de groene kamer. Waar de luiken nooit verdwijnen, de stervende Naar de kelder, de oudste

Nee, laat nog maar even. de schrijver

Ik heb het nog niet koud. de lust

We hebben gelukkig onze schoenen aan. Nog net tijd voor gehad. En voor de koffers, de oudste

Beginnen de mensen al te kijken ? Naar hoe alleen ik hier sta ? de lust

In onze schoenen, de stervende

Ze kijken niet, want er is niemand, de trots

Niemand op straat ? Ik moet ze roepen.

de oudste

We moeten ze niet roepen. Ze zullen gaan vragen, de lust

Ze zullen op de deur kloppen, de oudste

En dan doet ze open. de stervende Als ze open doet. de trots

We moeten iets gedaan hebben. Iets heel erg fouts, de oudste

Ik kan op het stoepje gaan zitten. Weet je wel, zo met je benen recht vooruit.

de schrijver

Want dat kunnen we lang volhouden.

de stervende

Ik niet zo. de oudste

Geen muur nodig, de schrijver

Niks nodig. Niks nodig.

pauze

de oudste

Hoeveel stenen van het hekje naar

de deur?

allen

Vijf.

de oudste

En hoeveel terug ? allen Ook vijf. de trots

Mooie stenen. Als ze nat zijn lijken ze op ijs. de lust

Een twee drie vier vijf zes zeven, wie wil mij een kusje geven, de oudste

Het wordt al donker, de lust

Het wordt weer nacht. De zoveelste de trots

Daar kunnen we wel tegen, de schrijver

Overdag is het minder eng. de oudste

's Nachts gilt het ongedierte. Zo hard dat je zelfs gaat verlangen naar die rustige leegte die de volgende dag weer je grootste vijand is. de schrijver

Kunnen we hier slapen ? de oudste

Eén nachtje misschien, de lust

Maar niet langer. Absoluut niet langer, de trots

Dat hoeft ook niet. Want morgen mogen we weer binnen.

de schrijver

Dat heeft mama beloofd, de stervende

En wat mama belooft, dat doet ze ook.

de schrijver

Gaan de lichten nooit aan in dit huis.

de stervende

Nee nooit.

de trots

Jawel. Soms.

de schrijver

Vreemd hé.

de trots

Ze zijn wel thuis. Ze gaan vroeg slapen.

de schrijver

Dat deed ze altijd al. Vroeg slapen, de oudste

Nergens bang voor te zijn. de lust

Ze zijn gewoon thuis.



de trots

Ze gaan alleen vroeg slapen. pauze

de stervende

Lees.

de schrijver

ALS ALLES STIL IS.

EN WE LIGGEN SAMEN.

HAND IN HAND.

EN HET IS GOED.

EN ALLES STIL. ALLEEN HET

SCHUREN OP ZIJN KUSSEN EN

HET MIJNE.

ALS ALLES STIL IS EN GOED. ALS DAN GEKRIJS KOMT VAN BENEDEN. VAN JULLIE. VAN VIJF KWIJLENDE JONGE MERELS IN HUN NESTJE. OM ETEN. OM ZOIETS ALS ETEN. ACH.

de stervende

Is er warme chocolademelk ? de schrijver Ja natuurlijk, de lust

Voor jou altijd, de schrijver Ze is ziek. de stervende

Ik ben hoofdzakelijk moe.

Ik heb hier pijn en hier en hier. Ik

zie bovendien vlekken.

de lust

Als je twintig was, zou ik zeggen, ga een vriendje zoeken.

de schrijver

Maar dat is ze niet. de stervende

Nee, allang niet meer. Ik wou dat iemand mij eens overhoop schoot.

Heb jij soms een geweer ? (tegen de oudste) de oudste

Ik zou wel willen weten wat er in je koffer zit.

Wat heb je in je koffer ? Is het iets gevaarlijks, iets dat kwaadspreekt over mij. Heb je een verrader in je koffer ? Of enkel oude lappen. Als het oude lappen zijn kun je het rustig zeggen, de lust

Kan iemand mij even helpen ?

(ze probeert een jurk aan te trekken)

de stervende

Is het weer zover ?

(s helpt)

de lust

Past.

Hoe is hij ?

(vraagt ze aan de oudste) de trots

Zij moet niet zo te koop lopen met al haar idealen. Ik vind het vulgair, de lust

Hoe ben ik nu ? de stervende

Niet de goden verzoeken, liefje, hij

staat prachtig.

de lust

Nou?

de oudste

Je ziet eruit als een dood schaap in een emmer drek. de stervende Kom maar weer. de lust

Brand in de hel.

pauze

de lust

Ik heb al sinds mijn dertiende de bomen zien verdorren. Merkwaardig hé, ik zag ze nooit in bloei, de schrijver

En zag je dan nog iets voor je dertiende ? de lust

Ach nee, ik heb wel kuikentjes gezien. Nog voor mijn dertiende. Wonderlijk nietwaar, de schrijver

Was dat nog voor we buiten waren. Dat van die bomen ? de lust

Nee, dat was daarna. Ik heb een scherp geheugen.

pauze

de schrijver

Lief zusje, mag ik onder je rokken kijken ? de lust Wat?

de schrijver

Eventjes maar. Zodat ik het verder kan vertellen aan mijn vriendjes, de lust

Je hebt geen vriendjes, en zeur verder niet. Je hebt je vergist, de schrijver

Is er dan niets onder je rokken ?

de lust

Nee.

de schrijver

Waarom mag ik dan niet eventjes naar al dat niets kijken ? Lief zusje, ik denk dat je je schaamt, de lust

Ik schaam mij nergens voor. de schrijver

Ook niet voor al dat niets onder je., de lust

Ook niet daarvoor, en hou er nou verder over op. de schrijver Lief zusje de lust

En ik ben je lieve zusje niet. pauze

de schrijver

Ik wil haar wel beminnen, de oudste

Hoe dacht je dat te doen. Je bent nog niet volgroeid. En bovendien te bang. Bangerikken kunnen niet beminnen. Dat weet iedere gek.

de schrijver

IK DENK DAT HET BETER IS ALS ZE VOORTAAN IN DE KELDER GAAN WONEN. IK HEB DE BEDJES AL KLAARGEZET, de oudste

Ik heb het gevoel dat we bespied worden.

Zit alles dicht ? De luiken, de schrijver Dicht, de oudste

Kleintjes tellen niet. de lust

Hij is de enige die luistert. Schattebout, de oudste Zit het dicht ? Zit het dicht? Zit het zeker dicht ? de schrijver

Het zit ontzettend dicht, de oudste

Overal ?

Nergens nog een gaatje ? de schrijver

Ziet iemand nog een gaatje ?

de stervende

Nee.

de trots

Nee.

de lust

Nee.

de stervende

Nee hoor niet gezien, de trots

Niemand kan ons zien. de oudste

Ze is tegen me. Iedereen is tegen me.

We zijn met vijf. Dat is teveel, de schrijver Hoeveel teveel ? de oudste

Ik denk dat alles anders wordt als we van plaats verwisselen, de stervende Ik sta niet op. de trots

Ik ga niet zitten, de oudste

Ik ga vooraan staan en ik zweer dat ik vanavond bij de warme kachel zit. de trots

Ik sta hier broer, dit is mijn plek. En niemand zal me ertoe kunnen brengen één stap te verzetten, de schrijver Behalve mama. de lust

Ssssst, zij praat, de trots

Laat maar, ik ben uitgesproken, de oudste

Jullie zijn te duidelijk aanwezig.

Kunnen jullie niet om het hoekje

gaan zitten ?

de trots

Wat zegt hij ?

de stervende

En jij dan ?

de oudste

Ik blijf hier.

de trots

Nee.

de lust

Wat?

de trots

We kunnen hier niet weg, al zouden we het willen. De muren zijn te hoog. Het plafond te nadrukkelijk aanwezig.

de stervende

En alles wat je van beneden overhoudt zijn natte voeten.

de schrijver

ZE MÓETEN WEG DE KELDER IS NIET DIEP GENOEG.

HOE DOE JE DAT?

MOET IK ZE VERMOORDEN ?

BEN IK EEN MOEDER DIE HAAR KINDEREN VERMOORDT ?

NEE NATUURLIJK NIET. IK BEN GEEN SLECHTE MOEDER.

IK BEN EEN MOEDER DIE HAAR MAN BEMINT. DAT GAAT NIET SAMEN, de lust Ik ga.

de stervende We gaan ! de lust Ik ga. de oudste

Gezegend zij die daden stellen, de lust

Je kunt niet altijd blijven wachten, eens zijn de jaren op. de oudste Ja.

de lust

Kijk, we kunnen natuurlijk wel hier blijven, maar je weet niet wat je mist hé.

de oudste Nee. de lust

Toen ik van huis wegging... de stervende

Schatje, je bent van huis gestuurd, de lust



Het was de eerste keer dat die deur zo groot en prettig voor me lag. Zo binnen handbereik. Het kon niet snel genoeg

Die eindeloze stappen naar de buitenkant.

Het was wat ik gewild had. Ik had het al gewild. Al lang. de oudste Natuurlijk.

pauze

de lust

Ik dacht....ik wil een man. de stervende

Ik kreeg al een vermoeden, de lust

Ik wil een man met echte veren.

de stervende

Ze is weer loops papa.

de schrijver

Is dat waarom je sinds je dertiende de bomen ziet verdorren ? de lust

Een man, misschien wel twee. de stervende

Misschien wel achttienhonderd, de trots

Zijn zij van minder waarde. Zijn zij minder waard ? de oudste Kijk, kijk. de lust

Ik wil er liever niets meer mee te maken hebben, de schrijver

Maar je hebt dertig jaar staan wachten, de lust Jammer hé. de oudste

Heeft ze alles meegenomen ? Ze moet zorgen dat ze alles bij zich heeft. Anders krijgt ze er later spijt van. Afgesloten wegen, daar heb ik het over. Ik had een hond. Heb ik ook meegenomen. Laat niets achter. Ze krijgt er later spijt van. de lust Ik ga. de oudste Ja.

de lust

En roep me niet terug, de oudste

Maak je geen zorgen.pauze de oudste

We waren met teveel. Er is er eentje minder nu. Zou het helpen ? de stervende

We worden aan stukken gesneden, de oudste

Ik had wel willen weten wat er in haar koffer zat.

de schrijver

ZE MOETEN WEG. MORGEN GA IK HET DOEN. de stervende Volgende stukje, de schrijver

Maar straks maak ik wat kapot.

de stervende

Wat valt hier kapot te maken. Lees. de schrijver

IK HEB HET GEDAAN. ZE ZITTEN BUITEN, de stervende

Nog een keer.

de schrijver

IK HEB HET GEDAAN. ZE ZITTEN BUITEN, de trots Stop!

de stervende

Verder.

de schrijver

HET VIEL NIET MEE. HET WAS GEMAKKELIJK GEWEEST ALS EENTJE NIET ZO HARTVERSCHEUREND HAD GEHUILD, de trots

Stop ! Toch wel lekker. Frisse lucht, de stervende

Ik vind het walgelijk. Dat je kunt

ademen.

de trots

Bovendien ruik je die hond dan niet zo.

de stervende

Heb je de ratten gehoord vannacht ? Ze zijn in me gekropen. Zomaar naar binnen, toen ik het niet merkte, de trots

Ze doen geen kwaad. Hij begint te stinken hé. de stervende

Dat ben ik. Daarom zijn de ratten aan mij begonnen. Ik moet wel erg gestonken hebben, de schrijver

Denk je dat dat het was ? de stervende

Ik ben stervende. Al het stervende stinkt.

de schrijver

Is zij al in staat van ontbinding ? de trots

Ik dacht het toch niet. de stervende

Ik denk dat het is wat ik ben : rattevoer.

Waarom sta je nou te giechelen ? Als een meisje met twee zwarte strikjes in. Wat valt er te lachen ?

pauze

Heb je al antwoord gehad ? de schrijver Waarop ? de stervende

Op je brief. Brieven eigenlijk.

Nou?

de schrijver

Wat?

de stervende

Heb je antwoord gehad, de schrijver Eh ja. de oudste

En ?

de schrijver

Leuk.

de stervende

Leuk?

de schrijver

Ja.

de stervende

O. heb je erom gelachen ?

de schrijver

Ja enorm.

de stervende

Waarom ?

de schrijver

Nou. om alles. En hou er nou maar

over op. Ja?

de stervende

Waar heb je het gelaten.

de schrijver

Het antwoord ?

de stervende

Ja.

de schrijver

Weet ik niet. In mijn andere jas denk ik, of in mijn la. de oudste

Of in je koffer. Wat heb jij in je koffer. Iets dat kwaadspr... de stervende

Je hebt hem dus bewaard. Goed zo. Wanneer lees je het voor. de schrijver Wat?

de stervende

De brief.

de schrijver

Als ik tijd heb een keer. de trots

Laat hem met rust en ga in godsnaam aan je werk. de stervende

Ik dacht wel dat hij geen antwoord

gehad had.

de schrijver

Ik heb het wel gehad.

de stervende

Nietes, je liegt.

de schrijver

Ik heb het wel gehad.

de stervende

Wat stond erin ?

de schrijver

Dat kan ik niet zeggen.

de stervende

Probeer het. Wat stond erin ? de schrijver Ik kan het niet.

pauze

de stervende

Ik wacht nog op een antwoord, de oudste Sssst, hij huilt, de stervende

Kom eens kleintje. Kom eens hier. Laat je handen eens zien. Mooie handen.

Wat zal ze denken als ze leest. Al je dromen. Over hoe het zal worden. Als je groot zal zijn. Je bent heel goed opgevoed liefje. Het beste van allemaal, de schrijver

de stervende

Ik heb altijd een oogje op je gehouden. Een extra oogje. Zal ik jouw eens wat vertellen ? de schrijver

de stervende

Jij bent alles voor me. Alles. Een kind met een goed hart. Een madeliefje in een pruimenboomgaard. Dat ben je. En zal ik jou eens wat vertellen. Jij bent de liefste. Dat is altijd zo geweest en dat zal altijd zo blijven, en ook de slimste. Je zegt wel niet veel, maar de mensen van de minste woorden zijn de mensen van de meeste gedachten zeg ik altijd maar. Er komt een goede tijd als je zo doorgaat. Je bent ook nog wel wat klein om zomaar op straat te zetten. Ze doen maar tegenwoordig. Geef me je hand eens aan. Warm. Nog warm. Ik wist niet dat ik het eeuwige leven had. Ik moet je een geheim vertellen. Een groot geheim. Ik wil er eigenlijk een eind aan maken, de schrijver Waaraan ? de stervende

Aan mezelf. Dat gevoel heb ik al een tijdje. Maar je zegt het niet zo makkelijk Je lacht me uit. de schrijver Nee hoor. de stervende Jawel, je lacht me uit. de schrijver

Hoe wil je het gaan doen.

de stervende

Mezelf beknijpen.

de schrijver

Kan dat ?

de trots

Ik vind niet dat u het recht heeft om de hele dag te zitten, de stervende Ik ben ziek. de trots

Zo met uw benen over elkaar. Net of er niet iets kan gebeuren. Op een onverwacht moment, de stervende

Ik zal sneller zijn dan jij. Met je vergruizelende botten. Ach, ze huilt alweer, de trots

Ik hou me staande, lijk. de stervende



We zullen zien. Maar er zal niets onverwachts gebeuren en als er iets onverwachts gebeurt, doen we alsof we het hadden zien aankomen. Ons leven is een passieloos gedicht. Gelukkig ben ik stervende, de trots Wie was dat ? de stervende Niet kijken ! de trots Wie was dat ? de oudste

Het eeuwige eind is in zicht, de schrijver Was ze dat ? de stervende

Ik heb haar alleen van achteren gezien. Alleen van achteren ! de trots

We moeten beter opletten, de oudste

Vraag het de dooie.

pauze

de stervende

Ze had een erg dikke kont. pauze

de oudste

Onze moeder had geen dikke kont. Onze moeder was een godin, de stervende

Met haar op haar tanden. Lees.

de schrijver

ZITTEN ZE ER NOG ?

HOE LANG GAAT DIT DUREN

ZE ZULLEN TOCH WEL MOE

WORDEN.

HEBBEN JULLIE WELEENS BEDACHT HOE DE REST VAN DEZE WERELD ERUIT ZOU ZIEN ?

OM DE HOEK.

GA EENS OM DE HOEK KIJKEN, de lust

Ik kom alleen wat halen. Ik ben zo weer weg. de stervende

Ijdele hoop. Er zijn allerlei mensen aan de deur geweest. Ik heb ze weggestuurd. Vissers, verplegers, piloten, verkrachters. Die zijn een tijdje gebleven die verkrachters en daarna heb ik ze weggestuurd, de lust

Ik heb een hoop gezien buiten.

de stervende

En je hebt haar gemist.

de lust

Wie?

de stervende

Moeder, liefje, je hebt moeder gemist, de lust

Heeft ze zich laten bekijken ?

de stervende

Helemaal.

de oudste

Met de deur open. de stervende Wel veel tocht, de lust

Hoe zag ze eruit ? de oudste

Ze heeft heel mooi haar. de lust

Nog steeds. Lijkt ze op mij ?

de stervende

Als twee druppels water.

Ze vroeg nog naar je. Waar is de

derde vroeg ze.

de oudste

Boodschappen doen, hebben we gezegd, de lust

Zijn jullie niet binnen ? de oudste

Nee. We hebben op jou gewacht, de trots Heel lang. de stervende

Heel erg lang. We konden toch niet zonder jou naar binnen. Maar moeder werd een beetje ongeduldig zie je. Ze heeft ook last van kortademigheid, de trots

Dus nou is de deur weer dicht, de oudste

Omdat jij niet kwam. de trots

Nee, je kwam maar niet. de lust

Ik kleed me even om. de schrijver

Mag ik nog wel wat vragen. Wat doen we als ze buiten zinnen raakt, want dat zal wel gebeuren, de oudste

We houden haar eronder. Tenslotte

zijn wij mannen.

de stervende

En flinke, flinke ook.

pauze

de lust

Ben je niet blij ? de oudste Waarom ? de lust

Dat ik terug ben. Ik had oranje bloemen voor je meegenomen. Weet je nog. Speciaal voor jou. Om in je haar te doen. Waar heb je ze eigenlijk gelaten. Ze waren duur weet je. En moeilijk te krijgen in deze tijd van het jaar.

pauze

Ik heb een huwelijksaanzoek gehad. Een tijdje terug. Ik heb nee gezegd.

pauze

Waarom zegt niemand iets. de oudste

Hoeveel heb je er te pakken gehad ?

de lust

Honderdtwintig de oudste Goeie ? de lust

Moi, er zijn altijd betere, de stervende

Maar die krijg jij toch niet. de oudste

Nee, die krijg jij toch niet. de lust

Het wordt weer tijd, dat ik eens iets laat zien. Waar zal ik beginnen. Bij mijn borsten ? de stervende

Laat maar liefje. We hebben je allemaal gezien. Het valt niet mee hé. De tijd.

pauze

de schrijver

Je bent niet meer als vroeger. Niet zo hetzelfde, de lust

Maar je herkende me wel.

de schrijver

Ja.

de lust

Dus ik ben nog wel een beetje het-

zelfde. Ik heb lang gelopen weet je, om weer hier te komen, de schrijver

Het zou niet aardig zijn als je meteen weer ging. de lust

Ik ga niet meteen weer. de schrijver

Dat zou niet aardig zijn. Want misschien gaat er iets veranderen. Jij of ik. Je weet nooit, de schrijver

Lief zusje, mag ik nu onder je rokken kijken. Eventjes. Heel eventjes, de lust

Droom jij nog weleens wat ? Soms droom ik als ik heel ver weg ben, dat ik op een bankje zit met een zwartfluwelen beestje op mijn schoot. Dat mag ik aaien. Ik mag het aaien zolang ik dat wil. Niemand straft daarvoor. Niemand kijkt ook maar even op. Rustig. Ik kan het beestje ook de nek omdraaien. Als ik dat zou willen. Maar ik wil het niet. Ik wil het beestje aaien. Je bent een mooie jongen, mijn kleine broertje.

Zo mag ik je wel noemen hé. Mijn kleine broertje. Durf je dichterbij ? Kom dichterbij. Ze zien ons niet. Alleen eventjes praten. Met elkaar. Tot de zon weer warmer wordt. Dat is nog maar heel even. Rimpels, voel je dat ? Grote dikke rimpels. Krijg jij ook als je wat ouder bent. Heb jij weieens een meisjeshand gevoeld ? Een meisjeshand die veel verloren heeft ? Kom dichterbij, ze zien ons niet.

Hoe zou een pak je staan ? Ik heb ergens in mijn koffer nog een rokkostuum. Een paarse. Prachtig. Met pailletten afgezet. Dat zal ik je geven als je groter bent. Je moet kijken naar me. En nog één ding voor me doen. Een heel klein dingetje. Kus me. Mooie jongen. Zeg me dat ik mooi ben. Kus me. Alsjeblieft, de stervende Lees.

We moeten verder, de schrijver

IK KIJK NAAR JULLIE.

IK ZIE JULLIE ZITTEN.

JULLIE ZIEN MIJ NIET.

IK ZIE DAT JULLIE OUDER

WORDEN.

NUTTELOOS.

DRAAI JE OM.

GA WEG.

LAAT ME MET RUST.

G....

de trots

Je hebt het gedaan hé. de schrijver Wat? de trots

Je hebt het gedaan. Ik zie het.

de schrijver

Ja.

pauze

Wat heb ik gedaan ? de trots

Kijk eens naar je ogen. de schrijver

Ja?

de trots

De een is groter dan de andere. Vooruit, biecht op. Wat heb je gedaan ? de schrijver

Ik weet het niet meer. Echt niet. de trots

Echt niet ! Denk eens heel goed na. Waar heb je in gekeken, de schrijver In de verte, de trots

Ja, en waardoor ? de schrijver Echt, ik.... de trots

De brievenbus kleintje. De brievenbus. En mocht dat ? de schrijver Nee.



de trots

Was dat niet verboden ?

de schrijver

Ja.

de trots

Had je niet gezworen nooit meer door de brievenbus te kijken omdat je wist wat er van zou komen. Je had dingen kunnen zien die je niet mocht zien. Daar zou je later spijt van krijgen, de schrijver

Wat zou er ook weer van komen ? de trots

Dat weet je best mallerd. Je zou bünd worden.

pauze

Dat wist je toch. Dat was je toch niet

vergeten.

de schrijver

Nee.

pauze.

de schrijver

Hoe lang duurt het nog ?

de trots

Wat?

de schrijver

Voordat ik blind word ? de trots

Dat weet ik niet. Dat kan lang duren,

het kan kort duren. Het hangt van

nogal wat dingen af. Zie je die maan

daar?

de schrijver

Waar?

de trots

Daar.

de schrijver de trots

Zie je wel. Het begint al. de schrijver

Kan ik nog iets doen om het goed te maken ? de trots

Waarom kom je altijd met alles te laat, lieverd. Geeft niet. Waarom zak je in elkaar ? de schrijver Deed ik dat ? de trots

Ja dat deed je. Wat moet ze wel niet van je denken als ze open doet en je

zo ziet. Waar is je trots. Waar is je trots gebleven, de oudste

Ik zou wel willen weten wat er in je koffer zit. Wat heb je in je koffer ? Waarom mag ik het niet zien ? Is het iets gevaarlijks. Iets dat kwaadspreekt over mij. Heb je een verrader in je koffer. We zijn toch allemaal hetzelfde. We hebben geen geheimen. Doe open. Doe open, zei ik. de trots Laat dat. de stervende

Kun jij je nog herinneren dat papa's koffer openging ? Daar hadden we jaren op gewacht. Het was niets. Er zat niets in. Uiteindelijk. Papa was eigenlijk net als die koffer. Je vroeg je altijd af wat er in zat en toen hij openging bleek hij leeg te zijn. (o maakt de koffer open) de oudste Niets ? de schrijver

Ze kon niet kiezen, denk ik. de stervende Ach, ze huilt alweer, de oudste

We maken alle koffers open. de lust Alle? de oudste

We maken alle koffers open. Ik maak de Ik maak de Ik Ik

Ik maak de eerste open.

de lust

Afblijven.

de oudste

Wat zit erin.

de schrijver

Dat weet ze niet.

de lust

Ik weet uitstekend wat er in mijn

koffer zit. Afblijven.

de oudste

De volgende.

de stervende

Raak hem niet aan !

de schrijver

Mag ik vertellen wat ik in mijn koffer heb.

pauze

de stervende

Nee. Lees. We moeten verder, de schrijver

Ik kan niet. Ik ben blind, de stervende

Lees !

de schrijver

ZE ZITTEN ER NOG STEEDS. ZE GAAN NIET WEG. IK HOOR ZE 'S AVONDS ZINGEN. WIE IN DE SCHEMER EEN VIJFLING HOORT ZINGEN, HAALT DE OCHTEND NIET MEER.

ZO VOELT HET. ZO VOELT HET. MAAR IK LAAT ZE NIET BINNEN.

IK LAAT ZE NIET... de trots

Stop !

de stervende

Ah, ze huilt alweer.

Heeft ze nooit verteld dat je niet

welkom was ?

Jawel, dat heeft ze wel. Honderd maal.

Honderd maal per dag.

Als ze je waste met afgrijzen.

Als ze je voerde.

Zeg maar proppen. Het ging niet

snel genoeg.

Nooit snel genoeg.

Als ze je naar bed toe bracht.

En hoopte dat je nooit meer wakker

zou worden.

de trots

Was dat zo ?

de stervende

Ja. De bedden stonden ver uit elkaar. Zij boven. Bij papa. Helemaal boven.

Wij in de kelder. Vochtig. Zodat ze je niet zou horen. Als je huilde, de trots

Ze heeft een glaasje warme melk gebracht toen ik ging gillen Omdat ik droomde dat mijn ogen doorgeprikt werden. Weet je dat nog ? Dat mogen we niet vergeten. Ze heeft me warme melk gebracht. En ze heeft geaaid, de lust

Dat kon ze dus. de trots Dat kon ze.

Net zolang tot ik weer rustig was. de lust

En je ogen weer dicht durfde te doen

zonder bang te zijn dat je nooit meer

zou zien.

de trots

Ze had gelijk.

de schrijver

Ze had beloofd dat je de volgende dag weer zou zien. de lust

Dat je ogen niet als bloederige balletjes naast je bed zouden liggen, de trots

Wie zou zoiets doen, zei ze. de schrijver

Wie zou zoiets verschrikkelijks

doen.

de trots

Ze had gelijk, dat mag je niet vergeten.

de schrijver

Toen had ze gelijk de lust

En ze kon aaien, de trots

Dat mogen we niet vergeten. pauze.

de schrijver

ZE ZITTEN ER NOG STEEDS. ZE GAAN NIET WEG IK OOK NIET.

ZE ZULLEN ME NIET DWINGEN.

NIEMAND DWINGT ME.

IK WEET NIET HOE HET

KOMT.

IK DENK DAT HET MIJN LOT IS.

MAAR LAAT IK EEN DING ZEGGEN.

WE ZULLEN ZIEN WIE HIER DE LANGSTE ADEM HEEFT. IK OF HET LOT. de trots

Ik draai me niet om.

Als ze open doet, moet ze zien dat ik

huil

Of dat ik juist niet huil de stervende Als ze open doet. de trots

Ze doet wel open. de stervende

Ach, zij huilt haar hele leven om verkeerd verdriet, de oudste

Ik vind het nu genoeg. Ik breek hem open. de trots

Hou hem tegen.

de lust

Doe het zelf.

de stervende

Ik heb geen kracht meer.

Ik ben stervende.

de schrijver

Ik hou hem niet meer tegen, de stervende

Ga in godsnaam door die deur. Dan zullen we het weten. ( Of ze kniezend met een knuppel op een krukje zit te wachten tot ze een van ons de hersens in kan slaan.) de oudste

Ik breek hem open. de trots

Hou hem tegen, de stervende Doe dan. Ouwe bokser, de schrijver Hij doet het echt. de lust

Het maakt niet uit. Het is een goede deur.

Ik wil niet dat ze me zo ziet. de schrijver

We hebben lang gewacht, daar kan ze trots op zijn. de trots

Ik denk niet dat ik het nog lang zal

maken.

de lust

Wat heeft die opeens ? de schrijver Ga even zitten, de lust

Ik denk niet dat ze dat wil, ze wil nooit zitten, de trots



Dank je. (t gaat zitten.) de lust Die is

de schrijver

Niet goed. de trots

Ik geloof niet dat ik dit nog overleef, de stervende

Schatje, je hoeft niks te overleven, de trots

Het doet hier pijn. de stervende

Waar ?

Dat kan niet schat, dat is psychisch

de trots

Steken.

de schrijver

Ga even liggen.

de lust

Ik denk niet dat ze dat wil, ze wil

nooit liggen.

de trots

Dank je.

(t gaat liggen.)

de trots

Ik wil graag dat je op precies dezelfde plek gaat staan. Alsof je nooit bent weggeweest.

Je plekje is nog warm. Alsof je nooit bent weggeweest.

de oudste

Was het hier, mijn plekje ? Was het ergens anders, de trots

Ergens anders, denk ik. Voel, het is nog warm. de trots

Net als vroeger.

Het doet de tussentijd teniet. Hij kon er niets aan doen. Zijn geduld was op. de oudste

Ik kon er wel wat aan doen. de trots

Je kon er niets aan doen.

Helemaal niets.

Je geduld was even op.

de trots

Ja?

de oudste

Ja.

de schrijver

Moet ik verder lezen ?

pauze

HET IS GENOEG GEWEEST. ZE ZULLEN NIET VERTREKKEN.

VANOCHTEND WERD IK WAKKER EN TOEN DRONG HET TOT ME DOOR. ZE ZULLEN NIET VERTREKKEN.

DE IMBECIELEN IK BEGRIJP ZE WEL IK HEB GEZEGD. TEGEN HEM. MIJN MAN. VANOCHTEND. HEB IK HET GEZEGD. WE GAAN, ZEI IK. ZO SIMPEL. HET IS GENOEG GEWEEST. IK KAN NIET MEER. WE GAAN HIER WEG. WE ZULLEN DOOR DE ACHTERDEUR VERTREKKEN. ZE ZULLEN HET NIET MERKEN. OF WEL.

HET IS ME OM HET EVEN. DE KEUZE IS AAN HEN. HIER BEGINT MIJN LEVEN.

(onder deze scène pakt de oudste de rest van de koffers uit, behalve die van de stervende) de trots

Hoor je iets ? Ja, je hoort iets. Even luisteren.

Even goed luisteren. Of je er niet naast zit.

Of het werkelijk zo is.

Sssssst.

Sssssst.

de lust

Mag ik je weer eventjes bewenen ? de stervende

Ja hoor. Rouw is zo rustgevend. Rouw. Hebben we niet iemand die ons van kant zou willen maken ? Mij, maar toch het liefste allemaal. Ik vind eigenlijk dat we tegelijk de dood in moeten, de lust

Een vijfling gaat niet dood, die gaat er vandoor. Ben je dood aan het gaan ?

de stervende

Je zegt het. de lust

Wil je niet nog even wachten ?

Ga je met me mee ?

de stervende

Nee, nee, dat kan niet.

de lust

Kom op, trek je wanten aan. de trots

Ja hoor, het is geen gedachte. Het is werkelijk iets.

Heb ik werkelijk iets gehoord ? Nog eens, je kunt niet voorzichtig genoeg zijn. de lust

Het is rustig. Ze zullen ons niet zien op straat, de stervende

Laat me, ik ben stervende, de lust

Heb je pijn ? Kun je nog lopen ? Je moet kunnen lopen.

de stervende

Ligt het aan mij dat ik het leven niet meer aan kan met dit soort mensen, de lust

Als we nu niet lopen, lopen we nooit meer. Wie weet waar we kunnen komen. Wat we te zien krijgen. Ze wachten op ons. We moeten de rivieren nog bestormen. Zien waar de wormen zich verschuilen. Kom sta op.

de stervende

Ik wil niet weg nu. de lust

Als je de hoek om bent vergeet je alles. Alleen de hoek om. Hou mijn hand vast. Laat me nu niet stikken. We moeten, de stervende Ik ga niet. de lust

Dus we gaan niet ? de stervende Nee. de lust

Weten we dat zeker ?

de stervende

Ja.

de lust

Goed.

We geven niet op. Vandaag niet en nooit niet. de trots

Een mens kan zichzelf belazeren weet je.

Heel gemakkelijk zelfs.

Als ik tegen mezelf zeg dat ik iets

hoorde, dan geloof ik dat bijna.

En voor je het weet, was het niet

waar.

Had je niks gehoord. Ha ha.

Maar nu het geluid.

Welk geluid ? Dat je hoorde.

Waar kwam het vandaan ?

Van achter de deur. Van achter de

deur.

Kan dat ?

Je weet dat er iets achter de deur is. Dat is zeker.

Dat is geen valse gedachte. Leek het geluid op lopen ? Ik dacht het niet. Ik dacht het wel. Wie zou het zijn ?

Wie zou het in godsnaam kunnen zijn

Moeder, het was moeder. Ik hoor stappen, de oudste

Ha ha, vergeet het zus. de trots

Ik hoor stappen, de oudste

Je ziet verkeerd, ze komt niet meer. Ga zitten en denk aan wat anders. Je gave is vergruizeld.

de schrijver

IK GOOI DIT DAGBOEK VOOR JULLIE DOOR BRIEVENBUS. DIE ENE KON TOCH LEZEN ? EINDE de oudste

We hebben hard gewerkt ons hele leven, de klompen staan nog in de klei.

En wat heeft het ons opgeleverd ? de stervende Ik weet het niet. de oudste

Als ik hier in mijn eentje was, dan was het goed geweest, dan had het niet gestormd in moeders hoofd, de stervende

Misschien moeten we niet teveel

meer praten. Verkeerde dingen

worden makkelijk gezegd.

Zou jij niet willen weten wat er in

mijn koffer zit ?

de oudste

Ach.

de stervende

Maak maar open. de oudste Laat maar. de stervende

Maak open !

(o maakt de koffer open)

de oudste

Papa's jachtgeweer ? de stervende Maak me dood. de oudste

Wat?

de stervende

Maak me dood, alsjeblieft.

En daarna alle anderen. Dan ben je

weer alleen.

de oudste

Ik denk dat je verleden je teveel geworden is. de stervende

Maak me dood. Dat wil je toch zo graag. Het is je lot, dus draag het. de oudste

Kunnen we niet nog een poging doen. De dingen op een rijtje. Geen paniek, we zijn met vijf. We vinden overal een reden voor. De bagage en de deur. Twee vrij belangrijke gegevens.

de stervende

Ik wil dood. Help me. Help me.

pauze

(o probeert op de deur te kloppen) de stervende

Je kunt wel kloppen, maar ze doet toch niet open. de oudste

Je kunt nooit weten. Denk je dat ze dood is ? de stervende Wie ? de oudste

Mijn moeder. Ze roept ons wel. Het is een goede moeder. Ze is het wachten waard.

EINDE © 1990 Heleen Verburg

Volledig artikel als PDF

Auteur Heleen Verburg

Publicatie Etcetera, 1990-09, jaargang 8, nummer 31, p. 38-49

Trefwoorden stervendeoudstetrotslustschrijverkofferpauze

Namen AAN JE MOEDERAL DIE VONDEALLES STIL ISALS ETENAVONDS ZINGENAddergebroedAmsterdamBEST NOG ZOENENBehalveBernlefDEUR MOET OPENDIT NOG DOORDOE DE DEUR OP SLOT.DOE JE DATDanDichtDidiDoorER NA DE DERDE NOGER NU NOGEchtEstragon in Waitingfor GodotGA IK HET DOEN.GAANGeduldGoeieGymnasiumHEB DE BEDJES AL KLAARGEZETHEB HET GEDAANHET IS MET ZOVEEL VOCHTHET LOT.HET MIJN LOT ISHET NATRILT IN JEHET NIET MERKENHET NIET STOPTHET TOT ME DOORHET VOOR JULLIE MIJN SCHATJES.HOOR ZEHeelHeieen VerburgHeleen VerburgHoeveelIK HET HARDOP ZEGGENIK LAAT ZE NIET BINNENIK OOK NIETIK ZEGGEN WAT HET ISIN MIJN HOOFDIk IkInJE MOOISTE KLERENJE OMJammerJawelKIJK HOE IK HIER ZIT.KIJK NAAR JULLIEKINDKNIEËN HINGKijkLANG MAMA.LINGEN.LaatLiefjeMAG IK HARDOP GILLENME MET RUSTMOET DIE ENE MANMOET JE ZEGGENMOETEN WEGMOOIE BUIKMammieMevrouw SmitMijnMoeder in de WolkenMorgenMÓETEN WEGNOG EEN VIJFDENaarNatuurlijkNederlandse ToneelschrijfprijsNee.Neen.NietNooitNouOM DE HOEK KIJKENOM HET EVENOfwelPapaPappaSLECHTE MOEDERSchatjeSchatteboutSchrijnSssstTOCH WEL MOETante MarthaTrouwVIERDE KOMTVOELT HETVOOR IEDEREENVandaag de oudste OmVerderVier.VolgendeWAT ZAL HIJWEET NIET HOE HETWEET.WaaraanWaaromWaaropWas Het Wachten WaardWatWinterslaapZAL IK DOENZAL IK ZEGGENZAL ZE ZOENENZE ER NOGZEGT HIJZEI IKZIJN TOCH OOK GOED TEZITTEN BUITENZeZoveel


Development and design by LETTERWERK