Date 2002-08-08

Publication De Standaard

Performance(s)

Artist(s)

Company / Organization

Keywords eatonutopieidealemorusutopiaplatoruthdystopieutopischefilosofen

De droom van de perfect gebouwde samenleving : Onzichtbare steden

Toen Thomas Morus zijn Utopia schreef, stond hij aan het begin van een lange traditie. De moderne tijd heeft talloze blauwdrukken voor ideale werelden voortgebracht. In haar boek De Ideale Stad. Utopia en de (niet) gebouwde omgeving tracht de Britse historica Ruth Eaton de geschiedenis van die ideale werelden in kaart te brengen.

De geschiedenis van de architectuur en de stedenbouw valt in grote mate samen met de geschiedenis van de utopie. Architecten en urbanisten waren, vanaf hun opkomst in de renaissance, altijd al wereldverbeteraars. Vaak beperkten ze zich niet tot het ontwerpen van gebouwen, straten of pleinen, maar leverden ze "en passant" ook de blauwdruk voor een nieuwe maatschappij. Omgekeerd hebben ook filosofen, schrijvers en wereldverbeteraars van allerlei slag altijd graag architecturale metaforen gebruikt om hun voorstelling van een ideale maatschappij aanschouwelijk te maken. In De Ideale Stad. Utopia en de (niet) gebouwde omgeving probeert de Britse historica Ruth Eaton deze geschiedenis van ideale werelden in kaart te brengen.

Het woord "utopie" is een samentrekking van het Griekse topos (plaats) en zowel eu (goed) als ou (nergens). Een utopie is dus letterlijk een niet-bestaande plaats waar het goed toeven is. Thomas Morus verzon het woord voor zijn boek Utopia . Daarin schetst hij een eiland waar men in perfecte harmonie samenleeft in 54 identieke steden. Morus wilde met dit werk kritiek leveren op het Engeland van zijn tijd, dat door de instorting van het feodale regime enorme maatschappelijke misstanden kende. Morus' boek staat aan het begin van een lange traditie: de moderniteit heeft een onafzienbaar aantal voorstellen voor ideale werelden voortgebracht. Een nieuwe stedelijke, en later zelfs planetaire ruimtelijke ordening vormde daarin onveranderlijk de hoeksteen voor een totale maatschappelijke omwenteling. Meestal, maar niet altijd, bleef het bij voorstellen: de auteurs stonden doorgaans niet stil bij de praktische problemen die het bouwen van zo'n nieuwe wereld met zich meebracht.

Ruth Eaton gaat in dit overzicht strikt chronologisch en beschrijvend te werk. In de al te korte inleiding definieert ze enkele basisbegrippen. Daarna vat ze meteen de koe bij de horens met een overzicht van de bronnen van het utopisch denken in de Oudheid en de Middeleeuwen. Ze kent de wijsgeer Plato hierin een centrale plaats toe. In zijn voorstellingen van een ideale staat ziet ze de voorafspiegeling en zelfs de grondslag van zo goed als alle latere plannen voor ideale steden. Zo stelt ze vast dat Plato's gedachtegoed, in tegenstelling tot wat je op grond van zijn ideeënleer zou verwachten, niet uit het niets opduikt, maar geworteld is in de politieke instabiliteit van het toenmalige Athene, dat zwaar getekend was door de gevolgen van de Peloponnesische Oorlog. Haast elke utopie, merkt ze op, vloeit voort uit frustraties over maatschappelijke misstanden en de onmacht om daaraan te verhelpen. Utopisten nemen dan hun toevlucht tot imaginaire remedies, die een al even imaginaire almacht veronderstellen. Daardoor vertoont elke utopie, of het nu een literaire of een architecturale is, dezelfde formele kenmerken, die Eaton al bij Plato terugvindt.

Een van de opmerkelijkste kenmerken is wel het willekeurige karakter van de classificaties waarop de utopie steunt. Plato gaat bijvoorbeeld moeiteloos over van een opdeling van het zielenleven in drie aspecten -- het driftleven, de moed en de rede -- naar een onderverdeling van de samenleving in drie klassen -- de werkers, de militairen en de filosofen. Het laat zich raden wie het voor het zeggen heeft in zijn ideale wereld: de filosofen zijn immers de enigen die inzicht hebben in de ware structuur van de werkelijkheid. De negentiende-eeuwse utopische socialist Charles Fourier zou het nog bruiner bakken door op basis van twaalf basisemoties uiteindelijk 810 typen mensen te onderkennen (iets wat hem op de terechte minachting kwam te staan van de wetenschappelijke socialist Karl Marx), maar de intellectuele demarche blijft wel dezelfde.

Haast elke utopie is geobsedeerd door orde en regelmaat, wat zich vaak uit in een grote voorliefde voor geometrische patronen. Zo omschreef Le Corbusier, drieëntwintig eeuwen na Plato, de nieuwe architectuur voor een nieuwe tijd als "een zuivere scheppingsdaad die ons afstemt op een universum waarvan we de wetten eerbiedigen, erkennen en gehoorzamen. [...] De geometrie is de basis; heel het tegenwoordige tijdperk is dus bij uitstek het tijdperk van de geometrie". In de historiek van ideale steden duikt telkens weer een voorkeur voor ideale vormen als het vierkant en de cirkel op.

Daar blijft het niet bij. Ook de mens wordt aangepast aan de ideale samenleving. Er zijn strikte wetten en voorschriften, die vaak worden veruitwendigd in uniformen en eenvormige woonstijlen, een stringente sociale hiërarchie en beperkingen op privé-eigendom. Bij Plato en anderen wordt deze sociale orde verder ondersteund door bedenkelijke praktijken als eugenetica. Dit impliceert dat elke utopie gekant is tegen verandering: in de utopische stad staat de tijd stil.

Dat geldt ook wanneer in de achttiende eeuw, door het ontluikende geloof in de vooruitgang als historisch principe, de utopie evolueert tot een u-chronie: een ideale samenleving die niet op een andere plaats, maar in een andere, toekomstige tijd ligt. Utopieën hebben, door hun autoritaire en starre karakter, dan ook steeds hun tegenbeeld opgeroepen, de dystopie.

De dystopie schetst een wereld waarin bepaalde maatschappelijke trends tot in het extreme doorgedacht zijn, meestal met de bedoeling om hun kwalijke aard te illustreren. Dystopieën drijven vooral de logica van de utopie tot zijn uiterste, nachtmerrie-achtige consequenties. 1984 van George Orwell, dat de extreem doorgedreven logica toont van het socialistische heilsdenken, is hiervan wel het bekendste voorbeeld.

Eaton heeft haar huiswerk grondig gemaakt. Ze levert een totaaloverzicht van het utopische gedachtegoed van de Oudheid tot de twintigste eeuw. In acht hoofdstukken behandelt ze telkens een historische periode. Na een korte beschouwing over de algemene context gaat ze dieper in op de protagonisten van het utopisch denken in die tijd. De tekst wordt bovendien verlucht met uitstekend beeldmateriaal. Eaton heeft naam gemaakt als tentoonstellingsmaker met opzienbarende exposities als "Images et Imageries d'Architecture" in het Centre Georges Pompidou in Parijs in 1985.

Toch is de tekst vaak onbevredigend. Eatons keuze om vooral beschrijvend te werk te gaan impliceert dat een theoretisch kader haast volkomen ontbreekt. Zo blijft veel in het vage hangen. Meer dan eens komt Eaton niet verder dan de vaststelling dat de utopische gedachte bedenkelijke kanten heeft. In het hoofdstuk over de Italiaanse quattrocento en cinquecento scheert ze de plannen voor een ideale stad van Alberti, Da Vinci, Scamozzi of Sixtus V min of meer over dezelfde kam als die van Thomas Morus. Nochtans was de inzet van het barokke Rome van Sixtus V van een heel andere aard dan het egalitaire visioen van Morus, al was het maar omdat uiterlijk vertoon voor Morus uit den boze was. Voor de toenmalige paus daarentegen was het de quintessens van zijn poging om greep te krijgen op de eeuwige stad na de ineenstorting van het middeleeuwse denken.

In haar beschouwingen over utopie en dystopie in de twintigste eeuw gaat Eaton even losjes over de verschillen tussen het werk van toonaangevende architecten en filosofen. Hier vallen belangrijke hiaten: Lewis Mumford wordt herhaaldelijk geciteerd terwijl een belangrijk denker als Walter Benjamin niet in het stuk voorkomt. Belangrijke bewegingen als "Team Ten", met hun eigenaardige popart-mengvorm van utopische en dystopische fragmenten, krijgen evenmin de aandacht die ze verdienen. Het is de paradox van dit boek: het is wellicht een utopie om in zo'n kort bestek een geschiedenis van de utopie te schrijven. Eaton komt niet verder dan een grondige, uitstekend geïllustreerde inventaris, die net als de gemiddelde utopie, helaas niet echt tot leven komt.

RUTH EATON, De Ideale Stad. Utopia en de (niet) gebouwde omgeving. Vertaald door Wilem van Luik en Erik Tack, Mercatorfonds, Antwerpen, 256 blz., 74,9 euro. Oorspronkelijke titel: Architecture and Urbanism: The Faces of Utopia.